ECLI:NL:RBDHA:2026:3830

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
AWB 25/10931 en AWB 25/10922
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:22 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning studie wegens uitschrijving en belangenafweging gezinsleven

Eiser, een Vietnamese nationaliteit met een verblijfsvergunning voor studie, werd uitgeschreven door zijn onderwijsinstelling per 26 juli 2023, waarna de minister van Asiel en Migratie zijn verblijfsvergunning introk. Eiser voerde aan dat hij ook een beschermenswaardig gezinsleven had met zijn tante en dat de belangenafweging onevenredig was, mede vanwege zijn psychische kwetsbaarheid en toekomstperspectief op studie.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende motiveerde waarom het gezinsleven met de tante niet als beschermenswaardig werd beschouwd, maar paste dit gebrek toe wegens het ontbreken van nadeel voor eiser. De belangenafweging met betrekking tot het gezinsleven met moeder en broer en het privéleven van eiser in Nederland werd als zorgvuldig en proportioneel beoordeeld.

De rechtbank concludeerde dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro en dat het opgelegde terugkeerbesluit terecht is. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning studie ongegrond en bevestigt het terugkeerbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/10931 en
AWB 25/10932AWB 25/10922
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 20 januari 2026 in de zaken tussen

[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. T.T.H. Nguyen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘studie’ en beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 8 augustus 2024 eisers vergunning ingetrokken. Met het bestreden besluit van 18 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2003 en heeft de Vietnamese nationaliteit. Vanaf 2 januari 2023 had eiser een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘studie.’ Omdat de studie-instelling waar eiser studeerde hem met ingang van 26 juli 2023 heeft uitgeschreven, heeft verweerder eisers verblijfsvergunning ingetrokken. Verweerder neemt aan dat eiser familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] heeft met zijn moeder en broertje die in Nederland wonen en dat eiser privéleven heeft opgebouwd in Nederland. Verweerder neemt echter niet aan dat eiser ook beschermenswaardig familie- en gezinsleven heeft met zijn tante, bij wie hij heeft gewoond. De belangenafweging die verweerder heeft gemaakt over het gezinsleven met eisers moeder en broertje en zijn privéleven, valt in het nadeel van eiser uit. Verweerder heeft daarbij aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst miskent verweerder dat eiser ook beschermenswaardig familie- en gezinsleven heeft met zijn tante. De belangenafweging die verweerder heeft gemaakt over de moeder en broer, is onevenredig. Eiser wijst op zijn psychische kwetsbaarheid, zijn afhankelijkheid van zijn moeder en tante en het ontbreken van opvang voor eiser in Vietnam. Verder is het opgelegde terugkeerbesluit onevenredig, omdat het leidt tot een onomkeerbare verstoring van het gezinsleven. Tot slot heeft eiser perspectief op een toekomstige studie, omdat hij bezig is zijn Engels en Nederlands te verbeteren en zich opnieuw wil aanmelden voor een HBO-opleiding.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet langer was ingeschreven bij een als referent erkende onderwijsinstelling en hij daarom niet (meer) voldeed aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning. Het betoog dat eiser bezig is zich opnieuw aan te melden voor een opleiding, doet hier niet aan af. Verweerder moest namelijk toetsen of eiser op het moment van de beschikking stond ingeschreven bij een opleiding. Verweerder mocht erop wijzen dat het voornemen om weer te gaan studeren, onvoldoende is om af te zien van intrekking van de verblijfsvergunning. Bij een nieuwe inschrijving, kan eiser een nieuwe aanvraag indienen.
Het gezinsleven tussen eiser en zijn tante
5. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt waarom verweerder heeft geconcludeerd dat er geen familieleven bestaat tussen eiser en zijn tante. Verweerder moest beoordelen of tussen eiser en zijn tante sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. In het bestreden besluit heeft verweerder de financiële steun die eisers tante hem gaf benoemd, net als het feit dat eiser bij zijn tante heeft gewoond. Echter blijkt uit het bestreden besluit onvoldoende waarom deze aspecten niet leiden tot de conclusie dat tussen eiser en zijn tante bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Ook blijkt uit het bestreden besluit niet dat verweerder de gestelde emotionele afhankelijkheid in dit kader heeft betrokken. De rechtbank constateert dus in zoverre een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
5.1.
De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Verweerder heeft namelijk ter zitting voldoende toegelicht hoe deze aspecten in de besluitvorming zijn meegenomen. Verweerder heeft erop gewezen dat de financiële steun niet volledig is en op afstand kan worden voortgezet. Ook heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, overtuigend betoogd dat de steun van eisers tante en het gegeven dat zij eerder samen hebben gewoond, niet voldoende is voor de conclusie dat tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Verweerder heeft op deze manier de relevante aspecten meegewogen bij de beoordeling. Ook als het geconstateerde gebrek niet had bestaan, had dit voor eiser dus niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.
De gemaakte belangenafwegingen
6. Nu verweerder gezinsleven heeft aangenomen tussen eiser en zijn moeder en broer, moet hij de belangen van eiser afwegen tegen die van de Nederlandse staat. Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder bij deze belangenafweging een “fair balance” moet vinden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. [2] De rechtbank moet de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend toetsen en beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken. [3]
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in de belangenafweging en zich op het standpunt mocht stellen dat het beëindigen van het verblijfsrecht van eiser niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft het economisch belang in het nadeel van eiser mee mogen wegen, nu niet is gebleken dat zijn familieleden eiser volledig financieel kunnen ondersteunen en nu eiser zelf parttime werkt. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat eiser beperkt Engels en Nederlands spreekt en daarom beperkt kans heeft op werkgelegenheid. Ook heeft verweerder betrokken dat eiser en zijn gezinsleden een sterke band hebben met Vietnam en dat er geen objectieve belemmering bestaat het gezinsleven in Vietnam uit te oefenen. Dat eiser psychische problemen heeft, is niet met stukken onderbouwd en hoefde verweerder daarom niet mee te nemen in de belangenafweging.
8. Verweerder heeft ook aangenomen dat eiser in Nederland enig privéleven heeft opgebouwd en ook in dat kader een belangenafweging gemaakt. Verweerder heeft hierbij de duur van eisers verblijf, zijn sociale banden in Nederland en zijn activiteiten in Nederland betrokken. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangevoerd dat in de beoordeling van het privéleven onvoldoende is betrokken dat eiser van plan is weer te gaan studeren in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde dit verweerders afweging echter niet anders te maken nu dit gaat om een onzekere toekomstige gebeurtenis en dus niet ziet op het huidige privéleven van eiser.
Het terugkeerbesluit
9. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder ook terecht een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning in stand blijft.
10.1.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [4] .
10.2.
In het onder 5 geconstateerde gebrek ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op
€ 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor 1 met een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 18 april 2025 ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de totale proceskosten van eiser tot een bedrag van
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 20 januari 2026. De uitspraakdatum blijft ongewijzigd. De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan, ondertekend en bekend gemaakt op 12 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Onder meer uiteengezet in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:73 en 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.
4.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.