Eisers werden op 27 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een voorgenomen Dublin-overdracht naar Noorwegen. De bewaring werd op 3 februari 2026 opgeheven na hun uitzetting. Eisers stelden beroep in tegen de bewaring en verzochten om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam. Eisers voerden onder meer aan dat de motivering van de bewaring onvoldoende was, dat zij met een geldig visum Nederland waren binnengekomen, dat bepaalde gronden niet op hen van toepassing waren en dat er geen sprake was van een onttrekkingsrisico. Ook stelden zij dat de medische situatie een lichter middel rechtvaardigde.
De rechtbank oordeelde dat de motivering, inclusief een geringe aanvulling, toereikend was en dat de zware gronden 3a (niet op voorgeschreven wijze binnengekomen) en 3k (geen medewerking aan overdracht) feitelijk waren onderbouwd. De medische situatie van eisers was onvoldoende om de bewaring ongeschikt te verklaren, mede omdat de zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. De ambtshalve toetsing van rechtmatigheid en beginselen zoals non-refoulement leverde geen onrechtmatigheid op.
Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond en wees de verzoeken om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.