Belanghebbende diende op 18 maart 2024 een asielaanvraag in bij de minister van Asiel en Migratie. Nadat de minister niet binnen de wettelijke termijn had beslist, stelde belanghebbende de minister op 6 februari 2025 in gebreke en ging op 27 februari 2025 in beroep wegens het niet tijdig beslissen.
De rechtbank Den Haag verklaarde het eerste beroep op 2 juli 2025 gegrond en legde een beslistermijn van zestien weken op met een dwangsom van € 100 per dag, maximaal € 15.000. Belanghebbende stelde op 17 juli 2025 opnieuw beroep in omdat de minister nog steeds niet had beslist, terwijl de maximale beslistermijn van 21 maanden op 18 december 2025 was verstreken.
De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig nemen van een besluit gelijkstaat aan een besluit dat vernietigd kan worden en verklaarde het tweede beroep gegrond. De rechtbank bepaalde dat de minister uiterlijk op 19 maart 2026 alsnog moet beslissen en legde een aanvullende dwangsom op van € 100 per dag, met een maximum van € 15.000. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister in de proceskosten van belanghebbende van € 467.
De uitspraak werd gedaan door rechter A.E.J.M. Gielen en griffier S. Yagkoubi. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.