ECLI:NL:RBDHA:2026:3659

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
NL26.5941
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen acht weken nieuw besluit nemen op asielaanvraag na termijnoverschrijding

Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig een nieuw besluit nam op zijn asielaanvraag van 22 februari 2023. De rechtbank had in een eerdere uitspraak van 29 juli 2025 het besluit van 23 juni 2025 vernietigd en de minister opgedragen binnen zestien weken een nieuw besluit te nemen.

De minister heeft deze termijn niet gehaald, waarop eiser de minister in gebreke stelde en beroep instelde. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond en bepaalt dat de minister binnen acht weken na deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen, rekening houdend met het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000. De minister wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De minister moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen op de asielaanvraag, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5941

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.L. van Leer)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd opnieuw zou hebben beslist op de asielaanvraag van 22 februari 2023.
1.1.
In de mondelinge uitspraak van 29 juli 2025 [1] heeft de rechtbank het besluit van
23 juni 2025 vernietigd en geoordeeld dat de minister uiterlijk zestien weken na de uitspraak een nieuw besluit moest nemen op de asielaanvraag van eiser.
1.2.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
2. In de uitspraak van 29 juli 2025 heeft de rechtbank de minister opgedragen om binnen zestien weken een nieuw besluit te nemen. De minister heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een nieuw besluit genomen. Eiser heeft daarop de minister in gebreke gesteld en vervolgens onderhavig beroep ingesteld.
3. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken.
4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. [3] De Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [4] Dit betekent dat de minister in principe binnen een termijn van zestien weken een besluit moet nemen. Gelet op de eerder opgelegde nadere termijn bepaalt de rechtbank dat de minister in dit geval binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
6. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [5]
7. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [6]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
9. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-. [7]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.NL25.28606
2.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
6.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
7.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.