Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 februari 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
[verzoeker], verzoeker
Rechtbank Den Haag
Verzoekers, Oekraïense ontheemden met tijdelijke bescherming, maakten bezwaar tegen hun overplaatsing van een opvanglocatie in de gemeente Overbetuwe naar een andere locatie binnen dezelfde gemeente. Zij vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de huidige opvang voort te zetten totdat op het bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de overplaatsing een feitelijke handeling betreft waartegen bezwaar mogelijk is, en dat hij bevoegd is kennis te nemen van het verzoek. Er was sprake van spoedeisend belang omdat de huurovereenkomst van de huidige locatie per 28 februari 2026 eindigt. De voorzieningenrechter kon echter niet inhoudelijk beoordelen of het bezwaar kansrijk was en besloot op basis van een belangenafweging.
Verzoekers stelden dat de verhuizing hun werk, inkomen, integratie en onderwijs zou verstoren en dat de nieuwe locatie onvoldoende brandveilig was. Het college stelde dat de verhuizing noodzakelijk was vanwege het einde van de huurovereenkomst en dat alternatieven voor vervoer en scholing beschikbaar waren. De voorzieningenrechter vond de belangen van het college zwaarder wegen dan die van verzoekers, mede omdat verzoekers onvoldoende onderbouwing boden en het college adequaat had gecommuniceerd en rekening gehouden met wensen van verzoekers.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor verzoekers de huidige opvanglocatie moesten verlaten en hun bezwaarprocedure niet konden afwachten op die locatie. Proceskosten en griffierecht werden niet vergoed.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overplaatsing van de opvanglocatie is afgewezen.