Eiser werd op 21 januari 2026 in bewaring gesteld wegens onrechtmatig verblijf en op 3 februari 2026 werd deze maatregel te laat omgezet naar bewaring op grond van rechtmatig verblijf. Eiser stelde dat deze onrechtmatigheid doorwerkte in de opvolgende maatregel en dat sprake was van kwade opzet of misleiding door verweerder.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de eerste maatregel onrechtmatig was vanwege de te late omzetting, dit gebrek niet leidde tot een ernstige schending van het recht op vrijheid die doorwerkte in de tweede maatregel. De tweede maatregel was op een juiste grondslag opgelegd en de te late omzetting van 13 dagen was relatief kort.
De rechtbank wees het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af, omdat de gevolgen van de onrechtmatigheid niet ernstig genoeg waren om doorwerking te rechtvaardigen. Er was geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. De uitspraak werd gedaan door rechter E.C. Harting.