ECLI:NL:RBDHA:2026:3580
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring wegens gebrek aan zicht op uitzetting
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, is op 29 oktober 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank heeft eerder op 4 december 2025 geoordeeld dat de bewaring tot die datum rechtmatig was. Het huidige beroep richt zich op het voortduren van de maatregel na 3 december 2025.
Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Hij stelt mee te werken aan zijn uitzetting en verwijst naar eerdere jurisprudentie over voortvarendheid. Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd waaruit blijkt dat meerdere pogingen zijn gedaan om contact te leggen met de Marokkaanse autoriteiten en dat er twee vertrekgesprekken zijn gevoerd.
De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van zicht op uitzetting reeds eerder is beoordeeld en dat sindsdien geen relevante wijziging is opgetreden. De rechtbank stelt dat eiser onvoldoende actief meewerkt aan het verkrijgen van documenten voor uitzetting. Verweerder handelt voldoende voortvarend door herhaalde rappelleringen bij de autoriteiten. Een lichter middel is niet aangewezen omdat de bewaring niet onevenredig bezwarend is.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E.F. Bethlehem en griffier W. van Loon op 23 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.