Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn van vier weken had beslist op haar asielaanvraag van 1 mei 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister na een verzoek van eiseres om alsnog binnen twee weken te beslissen, geen besluit heeft genomen.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn het ‘8+8 wekenmodel’ geldt, maar bij overschrijding van de bovengrens van 21 maanden is een kortere termijn passend. In dit geval is na een nader gehoor op 14 november 2025 en een voornemen op 26 januari 2026 een beslistermijn van vier weken passend.
De rechtbank draagt de minister op binnen vier weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Bij overschrijding van deze termijn moet de minister een dwangsom van € 100,- per dag betalen, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 467,-.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiseres krijgt hiermee gelijk en de minister wordt gedwongen binnen de gestelde termijn te beslissen, onder dreiging van een dwangsom.