Overwegingen
1. De rechtbank blijft bij al hetgeen zij in haar tussenuitspraak van 24 oktober 2025 heeft overwogen.
2. Eiser is met onbekende bestemming uit de opvang vertrokken. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of bij handhaving van het beroep sprake is van procesbelang. De rechtbank heeft partijen door het doen van een tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om een standpunt in te nemen over de vraag of indien zou moeten worden aangenomen dat eiser niet langer beschermd wil worden door de Nederlandse autoriteiten, dit ook betekent dat de rechtbank niet langer verplicht is om -inhoudelijk- te beoordelen of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan de vaststelling van het terugkeerbesluit in de weg staan.
3. Gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 4 december 2025 aangegeven dat inspanningen door hem en door het netwerk van eiser zijn verricht om contact met eiser te herkrijgen maar dat dit niet heeft geleid tot contact. De gemachtigde van eiser stelt zich op het standpunt dat hij vanwege het gebrek aan contact niet kan aangeven dat er nog procesbelang is bij de rechterlijke controle van het terugkeerbesluit na een ‘mob-melding’.
4. Verweerder stelt zich in zijn brief van 5 december 2025 op het standpunt dat een inhoudelijke toetsing van het terugkeerbesluit op dit moment een aanzienlijke en onnodige belasting oplevert voor zowel de rechtspraak als het bestuursorgaan, zonder dat dit voor de onvindbare vreemdeling van feitelijke betekenis is en dat dit de praktische waarde van een inhoudelijke toetsing op dit moment onzeker maakt. Verweerder heeft zijn standpunt onder meer als volgt onderbouwd:
(…)
Algemeen procesbelang
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) heeft in haar, ook door uw rechtbank in rechtsoverweging 4 aangehaalde, uitspraak van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662) weliswaar erkend dat de praktijk van het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep bij vertrek met onbekende bestemming geen expliciete nationale wettelijke basis kent. Echter, de Afdeling oordeelde tegelijkertijd dat de beoordeling of een vreemdeling nog belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn rechtsmiddel, onder de procedurele autonomie van de lidstaat valt, aangezien het Unierecht hieromtrent geen specifieke regels bevat.
De minister stelt derhalve dat de nationale praktijk verenigbaar is met de Unierechtelijke verplichtingen, omdat deze binnen de reikwijdte van de procedurele autonomie van de lidstaten valt. Het toepasselijke procesrecht moet wel de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en effectieve rechtsbescherming in acht nemen. (…)
Hoewel alleen in het asielrecht de specifieke vraag speelt of er na een MOB-melding nog belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde rechtsmiddel, wordt het algemene beginsel dat het procesbelang komt te vervallen als datgene wat de insteller van het rechtsmiddel verlangt niet meer nodig is of niet meer kan worden bereikt, in het gehele bestuursrecht op gelijke wijze toegepast. Als de vraag naar het procesbelang wordt beantwoord op de wijze zoals hiervoor is uiteengezet, maakt dit de uitoefening van de in het Unierecht neergelegde rechten van asielzoekers niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk. Van strijd met het doeltreffendheidsbeginsel is daarmee geen sprake en ook wordt geen afbreuk gedaan aan het beginsel van effectieve rechtsbescherming als bedoeld in artikel 47 van het EU Handvest, aldus de Afdeling in haar uitspraak van 1 juli 2024, (ECLI:NL:RVS:2024:2662). Artikel 5 Terugkeerrichtlijn
Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn verplicht tot een ambtshalve toetsing van het terugkeerbesluit aan de daarin genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement. Dit creëert een spanningsveld met het nationale leerstuk van het ontbreken van procesbelang bij onvindbaarheid van de vreemdeling.
De Afdeling heeft dit spanningsveld in voornoemde uitspraak afgewogen door ontvankelijkheid te weigeren wanneer de procedure feitelijk niet gevolgd kan worden. Het nationale bestuursrecht rechtvaardigt dit vanuit het algemeen procesbelang en de praktische uitvoerbaarheid van de procedure.
Bovendien hanteert ook het Hof van Justitie van de EU het vereiste van een daadwerkelijk en actueel procesbelang. Een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met diens gemachtigde, zal naar alle waarschijnlijkheid geen profijt hebben van een eventuele rechterlijke vernietiging van het besluit van de minister.
Toekomstige en onzekere situaties leveren geen actueel belang op. De minister wil in dit verband opmerken dat in de situatie dat een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken en niet langer contact onderhoudt met zijn gemachtigde, het maar de vraag is of hij van een rechterlijke vernietiging van een besluit van de minister ooit profijt zal hebben.
Indien de rechtbank ondanks het voorgaande tot een inhoudelijke behandeling zou overgaan en het terugkeerbesluit zou vernietigen, kan de minister een nieuw besluit nemen. Vanwege de onvindbaarheid van de vreemdeling zal de minister de aanvraag dan hoogstwaarschijnlijk buiten behandeling stellen (conform artikel 28 van richtlijn 2013/32/EU). Dit besluit kan in rechte vast komen te staan bij gebrek aan een nieuw rechtsmiddel.
(…)
5. De rechtbank overweegt dat partijen het eens lijken met elkaar. De rechtbank komt evenwel tot een ander oordeel en motiveert dit als volgt.
6. De vraag of aan een derdelander een internationale beschermingsstatus moet worden verleend, hoeft alleen te worden beoordeeld als deze derdelander om een verblijfsvergunning asiel verzoekt. Indien deze derdelander met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, mag er in beginsel vanuit worden gegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is op grond van de thans actuele rechtspraak slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt. Dit houdt dan in dat de gemachtigde weet waar de vreemdeling verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. Indien er geen procesbelang wordt aangenomen, zal het dan nog aanhangige beroep niet inhoudelijk worden beoordeeld, maar niet-ontvankelijk worden verklaard.
7. De rechtbank heeft echter partijen de vraag voorgehouden of het ontbreken van procesbelang bij de beoordeling van de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning betekent dat er geen inhoudelijke beoordeling van het terugkeerbesluit hoeft plaats te vinden. Doorgaans vindt de niet-ontvankelijkverklaring van het -gehele- beroep reeds plaats als wordt aangenomen dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming door en in Nederland. De beoordeling van een asielaanvraag is evenwel niet identiek aan de beoordeling of een terugkeerbesluit kan en moet worden vastgesteld. Indien de asielaanvraag wordt afgewezen komt de vraag aan de orde of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. Indien het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag niet-ontvankelijk is omdat mag worden aangenomen dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op internationale bescherming, volgt hieruit echter niet zonder meer dat er geen procesbelang bestaat bij een rechterlijke controle van het terugkeerbesluit.
8. De verplichtingen die de administratieve en de rechterlijke autoriteiten ingevolge richtlijn 2008/115 hebben staan los van de mogelijkheid van een derdelander om een verzoek om internationale bescherming in te dienen en dus los van de wens om internationale bescherming. Een derdelander hoeft ook geen verzoek om internationale bescherming in te dienen om de bescherming de Uniewetgever aan illegaal verblijvende derdelanders in de terugkeerprocedure heeft toegekend te genieten. Hoe een verzoek om internationale bescherming dient te worden beoordeeld en wanneer een internationale beschermingsstatus moet worden verleend is geregeld in richtlijn 2013/32 en richtlijn 2011/95. De terugkeerprocedure is geregeld in richtlijn 2008/115.
9. Op het moment dat verweerder vaststelt dat een derdelander illegaal in Nederland verblijft zal hij moeten nagaan of een terugkeerbesluit kan en moet worden vastgesteld. Bij de tenuitvoerlegging van richtlijn 2008/115 is verweerder onder meer gehouden om na te gaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen in de weg staan aan de vaststelling van een terugkeerbesluit en moet verweerder het beginsel van non-refoulement eerbiedigen. Deze verplichting geldt ongeacht of verweerder beslist op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel of regulier, dan wel dat de derdelander geen verblijfsvergunning heeft gevraagd. De omvang van deze verplichting is steeds dezelfde en dus niet afhankelijk van de verblijfsprocedure die zo mogelijk voorafgaat aan de eventuele vaststelling van een terugkeerbesluit.
10. De verplichtingen die zijn neergelegd in artikel 5 van richtlijn 2008/115 gelden ook voor de rechter. Het Hof heeft verduidelijkt dat de rechter die de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit controleert zo nodig ambtshalve moet nagaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de vaststelling van een terugkeerbesluit. De rechtbank overweegt dat de stelling van verweerder dat de niet-ontvankelijk verklaring die volgt als wordt aangenomen dat de vreemdeling geen prijs stelt op bescherming onder de procedurele autonomie valt, is niet relevant voor de vaststelling van een terugkeerbesluit en de rechterlijke controle hiervan. Dat de procedure is ingeleid met een asielaanvraag en het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel niet meer kan worden bereikt staat namelijk los de verplichtingen die verweerder uit hoofde van richtlijn 2008/115 heeft. Het Hof heeft ook verduidelijkt dat geen enkele bepaling van richtlijn 2008/115 ziet op de verplichting om een verblijfsvergunning te verlenen en ook daaruit volgt dat pas nadat is vastgesteld dat de derdelander niet voldoet aan de voorwaarden voor een vergunning, dan wel daartoe geen aanvraag heeft gedaan of niet langer prijst op stelt, de vraag aan de orde komt of jegens de derdelander die onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt ook een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. Voor zover de rechtbank in deze procedure de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit controleert is er sprake een Unierechtelijke regeling die voorschrijft wat de verplichtingen voor de rechtbank zijn om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden. Het Hof heeft niet verduidelijkt dat het onder de procedurele autonomie van de lidstaten valt om te bepalen dat een rechtsmiddel in een procedure waarin een rechtmatigheidsbeoordeling van een terugkeerbesluit plaatsvindt niet-ontvankelijk kan worden verklaard en de rechtbank ziet geen aanleiding om hierover een prejudiciële vraag te stellen.
11. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Anders dan in het algemene bestuursrecht, kan de rechter bij de beoordeling van dit beroep en bij de beoordeling van een terugkeerbesluit niet volstaan met ‘het toetsen van het besluit aan de hand van de beroepsgronden’. Het refoulementverbod is absoluut en dit raakt niet alleen de inhoud en omvang van de verplichtingen van verweerder maar ook van de rechtbank. Indien de vreemdeling geen prijs meer stelt op de aanvankelijk verzochte verblijfsvergunning, althans als hiervan mag worden uitgegaan, dient alsnog te worden beoordeeld of sprake is van een refoulementrisico omdat in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement moet worden geëerbiedigd en dit beginsel, op grond van de Hofjurisprudentie, in de weg staat aan het vaststellen van een terugkeerbesluit.
12. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat indien de rechtbank tot een inhoudelijke behandeling zou overgaan en het terugkeerbesluit zou vernietigen, hij een nieuw besluit kan nemen en de aanvraag dan hoogstwaarschijnlijk buiten behandeling kan stellen en dit besluit dan in rechte kan vast komen te staan bij gebrek aan een nieuw rechtsmiddel. De rechtbank kan dit niet volgen. Indien de rechtbank aanneemt dat eiser geen belang meer stelt in een verblijfsvergunning maar het terugkeerbesluit wel inhoudelijk beoordeelt en tot de conclusie zou komen dat het terugkeerbesluit moet worden vernietigd, betekent dit niet dat dan wederom moet worden beoordeeld of aan eiser een verblijfsvergunning moet worden verleend, maar enkel of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. Ook indien verweerder een aanvraag buiten behandeling stelt, zal verweerder overigens moeten nagaan of een terugkeerbesluit kan en moet worden vastgesteld en is verweerder onder meer gehouden aan artikel 5 van richtlijn 2008/115. Dat eiser te zijner tijd mogelijk niet zal opkomen tegen het nieuw vast te stellen terugkeerbesluit, ontslaat verweerder en de rechtbank niet van de verplichtingen in deze procedure.
13. De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn standpunt dat eiser geen belang heeft bij een rechterlijke controle van het terugkeerbesluit. De aanname dat eiser geen bescherming meer wil in Nederland, doet niet af aan de verplichting om in de terugkeerprocedure na te gaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de vaststelling van een terugkeerbesluit. Richtlijn 2008/115 heeft weliswaar ten doel om een doeltreffend en efficiënt terugkeerbeleid te voeren maar daarbij moeten de grondrechten in acht worden genomen. Ook indien de vreemdeling niet uitdrukkelijk verzoekt om de eerbiediging van zijn grondrechten, dient verweerder deze rechten te respecteren en de rechtbank de naleving hiervan te waarborgen. Het is evident dat eenieder, en dus ook eiser, een belang heeft bij de eerbiediging van zijn grondrechten. Door geen contact te houden met zijn gemachtigde wordt door de rechtbank niet inhoudelijk beoordeeld of aan eiser een asielvergunning moet worden verleend. Eiser doet hiermee echter geen afstand van zijn grondrechten in de terugkeerprocedure. De rechtbank zal daarom wel inhoudelijk controleren of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij een terugkeerbesluit kon en moest vaststellen en of de grondrechten van eiser hierbij voldoende in acht zijn genomen. Het terugkeerbesluit wordt geregistreerd in het SIS en is de grondslag van het inreisverbod en ook hierin is een procesbelang van eiser gelegen. Omdat eiser is opgekomen tegen de meeromvattende beschikking van 6 september 2024, kan het beroep dus niet niet-ontvankelijk worden verklaard, maar zal de rechtbank het beroep gegrond of ongegrond moeten verklaren bij het doen van de einduitspraak in deze procedure.
14. De rechtbank overweegt dat het beginsel van non-refoulement niet aan de vaststelling van het terugkeerbesluit in de weg staat. Verweerder heeft in zijn besluit geloofwaardig bevonden dat eiser een homoseksuele geaardheid heeft en ten gevolge daarvan mishandeld is. Verweerder heeft echter deugdelijk gemotiveerd dat aan eiser geen vluchtelingrechtelijke of subsidiaire bescherming hoeft te worden geboden. Deze refoulementbeoordeling kan ook ten grondslag worden gelegd aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. De rechtbank is gehouden om zo nodig ambtshalve na te gaan of de veilig land van herkomst-exceptie terecht is tegengeworpen. De rechtbank ziet, gelet op actuele landeninformatie, geen aanleiding om te oordelen dat Bosnië en Herzegovina niet voldoet aan de vereisten om als veilig land van herkomst te worden aangemerkt en de rechtbank acht nader onderzoek hiernaar niet geïndiceerd.
15. In het voornemen is medegedeeld dat aan eiser geen uitstel van vertrek wordt verleend. In het besluit heeft verweerder overwogen dat “eiser in zijn zienswijze niets heeft genoemd over artikel 64 Vw en er daarom geen reden is voor een ander oordeel”. De rechtbank overweegt dat uit deze motivering blijkt dat verweerder zich niet realiseert dat hij, ongeacht wat eiser in zijn relaas en in zijn zienswijze aanvoert, verplicht is om na te gaan of de gezondheid van eiser en zijn privéleven in de weg staan aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. Artikel 64 Vw ziet weliswaar op het verlenen van uitstel van vertrek, wat impliceert dat er reeds sprake is van een terugkeerverplichting die vervolgens vanwege medische redenen wordt opgeschort, maar artikel 5 van richtlijn 2008/115 verplicht om na te gaan of de gezondheid van eiser en zijn privéleven aan de vaststelling van het terugkeerbesluit in de weg staan. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van het Hof van 22 november 2022 in het zogenoemde Cannabis-arrest (X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913).
16. Eiser heeft nadat verweerder een voornemen uitgebracht een op 2 mei 2024 gedateerde iMMO-rapportage overgelegd. In het besluit is hierover onder meer overwogen dat verweerder uitgaat uit van de juistheid van de inhoud van deze rapportage. In de rapportage is uitgebreid beschreven met welke medische en psychische klachten eiser kampt en welke medicamenteuze en andere behandelingen hij hiervoor heeft ondergaan en thans ondergaat. Verweerder is ook bekend met het GCA-patiëntendossier van eiser en de brief van de GGZ van 25 juni 2023. Verweerder weet ook dat hij driemaal aan Medifirst een advies horen en beslissen heeft moeten vragen omdat eiser tweemaal wel gezien is maar geconcludeerd is dat eiser niet kon worden gehoord vanwege zijn medische problematiek. Verweerder had gelet op al deze informatie waarover hij beschikte alvorens de asielaanvraag van eiser af te wijzen, moeten nagaan of de gezondheid van eiser en zijn privéleven in de weg stonden aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. Deze verplichting volgt uit artikel 5 van richtlijn 2008/115 en is dus niet afhankelijk van de omstandigheid of eiser hier een uitdrukkelijk beroep op doet. Verweerder heeft zich hier geen rekenschap van gegeven alvorens een terugkeerbesluit te nemen. Verweerder heeft het terugkeerbesluit ook niet aanvullend gemotiveerd naar aanleiding van de beroepsgronden die verband houden met de medische situatie van eiser en verweerder heeft zich na de tussenuitspraak op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard zonder nader in te gaan op de medische situatie van eiser. Dit betekent dat de rechtbank het terugkeerbesluit zal vernietigen en verweerder zal opdragen om dit alsnog te doen. De rechtbank overweegt hierbij dat verweerder ten onrechte vreest dat “de procedure feitelijk niet gevolgd kan worden”. Verweerder kan namelijk in staat worden geacht om op grond van alle reeds ter beschikking staande medische informatie en alle verklaringen die eiser heeft afgelegd en de standpunten die namens eiser door zijn gemachtigde naar voren zijn gebracht beoordelen of al dan niet een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld, dan wel dat het BMA om advies gevraagd moet worden. Dat eiser indien hij ‘mob blijft’ niet in staat zal zijn om een rechtsmiddel tegen een mogelijk nieuw vastgesteld terugkeerbesluit in te stellen, zoals door verweerder is gesuggereerd, betekent vanzelfsprekend niet dat er andere en mindere rechtmatigheidsvereisten gelden voor het thans te beoordelen terugkeerbesluit. Omdat de rechtbank het terugkeerbesluit vernietigt, bestaat er ook geen grondslag meer voor het inreisverbod, zodat de rechtbank ook het inreisverbod zal vernietigen. Omdat het terugkeerbesluit wordt vernietigd, zal verweerder de SIS-signalering ongedaan moeten maken. Het beroep zal dus gegrond worden verklaard omdat het terugkeerbesluit en het inreisverbod worden vernietigd. De rechtbank zal verweerder niet opdragen om een nieuw terugkeerbesluit vast te stellen en inreisverbod uit te vaardigen omdat verweerder eerst zal moeten onderzoeken of hij daartoe bevoegd is.
17. De rechtbank heeft verweerder in de tussenuitspraak tevens in de gelegenheid gesteld om te motiveren waarom hij weigert om de kosten te vergoeden die zijn gemaakt in verband met het verrichten van het iMMO-onderzoek en het vervaardigen van de rapportage, dan wel deze kosten alsnog te vergoeden. Verweerder heeft eiser gehoord in een gehoor veilig land van herkomst, een nader gehoor en een aanvullend gehoor 1F. In het voornemen heeft verweerder uitgebreid en gedetailleerd gemotiveerd waarom het asielrelaas ongeloofwaardig werd bevonden. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen heeft verweerder in het besluit de gestelde homoseksuele geaardheid en de hiervan ondervonden problemen die de asielmotieven van eiser vormen, alsnog integraal geloofwaardig geacht. In het besluit is hierover het navolgende overwogen”
(…)
U hebt ter onderbouwing van uw asielmotieven een iMMO rapportage ingediend. De IND gaat uit van de juistheid van de inhoud van deze rapportage en heeft daarom opnieuw gekeken naar uw verklaringen tijdens de eerdere gehoren.
U wordt gevolgd in uw verklaringen omtrent uw seksuele gerichtheid. U wordt eveneens gevolgd in de verklaring dat u in een café ernstig bent mishandeld vanwege uw seksuele gerichtheid. Tevens wordt u gevolgd in uw verklaringen dat u in het verleden lastig bent gevallen door de politie.
(…)
18. Verweerder heeft in zijn reactie op de tussenuitspraak aangegeven niet voornemens te zijn om de iMMO-kosten te vergoeden. Verweerder heeft hiervoor de volgende argumenten aangedragen:
(…)
Uit IB 2025/4 volgt dat wanneer in de eerste procedure ná het voornemen een
iMMO-rapport wordt ingebracht onder meer als uitgangspunt voor de
vergoeding geldt, dat het iMMO-rapport niet leidt tot wijziging van het
voornemen en de aanvraag wordt afgewezen. In de onderhavige zaak is aan
eiser reeds in het voornemen tegengeworpen dat Bosnië-Herzegovina voor
hem als veilig land van herkomst heeft te gelden. Dat standpunt is in de
beschikking van 6 september 2024 herhaald. Dát is de reden dat de aanvraag
is afgewezen. Hoewel het iMMO-rapport onmiskenbaar van invloed is op de
geloofwaardigheidsbeoordeling en mogelijk van invloed is geweest op de
overwegingen omtrent de vraag of Bosnië-Herzegovina voor eiser heeft te
gelden als veilig land van herkomst, is dit onvoldoende reden om in afwijking
van het IB 2025/4 te concluderen dat de kosten in dit geval vergoed moeten
worden. Daarom zal er niet tot vergoeding van de kosten worden overgegaan.
(…)
19. De rechtbank zal verweerder verplichten om de kosten van de iMMO-rapportage te vergoeden. Verweerder baseert zijn beslissing op de asielaanvraag van eiser op de geloofwaardigheidsbeoordeling van het relaas. De zwaarwegendheidbeoordeling kan pas plaatsvinden als er een deugdelijke geloofwaardigheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden. Op grond van het door iMMO verrichte onderzoek blijkt dat sprake is van medisch steunbewijs voor de verklaringen die eiser heeft afgelegd. De lichamelijke en psychische problematiek van eiser is gezamenlijk beoordeeld volgens het Istanbul Protocol en wordt gekwalificeerd als typerend voor het gestelde ondergane geweld. Eiser is meerdere keren door verweerder gehoord, maar pas na kennisname van de iMMO-rapportage acht verweerder het asielrelaas integraal geloofwaardig.
Dat verweerder uiteindelijk beslist om de asielaanvraag niet in te willigen, doet niet af aan de omstandigheid dat deze iMMO-rapportage ten grondslag ligt aan de beoordeling door verweerder van de asielaanvraag van eiser. Dat in IB 2025/4 allerlei situaties zijn beschreven wanneer niet tot vergoeding van de kosten wordt overgegaan, betekent niet dat verweerder zich -ook in deze procedure- op het standpunt kan stellen dat de kosten niet door hem voldaan hoeven te worden.
20. De verplichting voor verweerder om zelf medisch onderzoek te verrichten als hij dat relevant acht om te beslissen op de asielaanvraag is neergelegd in artikel 18 van richtlijn 2013/32. Richtlijn 2008/115 kent niet een vergelijkbare uitdrukkelijke bepaling over het verrichten van medisch onderzoek. Richtlijn 2008/115 verplicht echter wel tot het rekening houden met de gezondheid van eiser gedurende de gehele tenuitvoerlegging van deze richtlijn en deze verplichting geldt dus ook bij het vaststellen van een terugkeerbesluit. Verweerder hoeft in dit geval geen medisch onderzoek te verrichten om aan artikel 5 van richtlijn 2008/115 te kunnen voldoen omdat eiser een iMMO-rapportage en andere medische stukken heeft overgelegd. In de onderhavige procedure heeft dus te gelden dat het medisch onderzoek relevant is om te beoordelen of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. Verweerder had in de verklaringen van eiser en de bevindingen van zijn eigen adviezen horen en beslissen aanleiding moeten zien om uit eigen beweging na te gaan of de medische situatie van eiser aan het opleggen van een terugkeerbesluit in de weg staat. Verweerder heeft zich hier geen rekenschap van gegeven en zal dat, zoals hiervoor overwogen, alsnog nader moeten onderzoeken en kan zich daarbij baseren op de iMMO-rapportage waarvan verweerder al heeft aangegeven dat hij uitgaat van de juistheid van de inhoud van deze rapportage. Het iMMO-rapport ligt dus ook mede ten grondslag aan de rechtmatigheidsbeoordeling van de rechtbank en had ten grondslag moeten worden gelegd aan het terugkeerbesluit als onderdeel van de meeromvattende beschikking op de asielaanvraag.
21. De rechtbank geeft verweerder uitdrukkelijk mee om te reflecteren op zijn (structurele) proceshouding als wordt verzocht om vergoeding van de kosten van het opstellen van een iMMO-rapportage. Verweerder geeft zelden invulling aan zijn verplichting om zelf medisch onderzoek te laten verrichten terwijl artikel 18 van richtlijn 2013/32, waarnaar in IB 2025/4 nota bene wordt verwezen, daartoe verplicht. In artikel 18, tweede lid, van richtlijn 2013/32 is tevens vermeld dat wanneer er geen medisch onderzoek overeenkomstig lid 1 wordt uitgevoerd, de lidstaten verzoekers ervan in kennis stellen dat zij op eigen initiatief en kosten een medisch onderzoek kunnen regelen betreffende aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade. Verweerder heeft eiser niet conform deze verplichting geïnformeerd en er dus ook niet op gewezen dat mogelijke kosten niet zullen worden vergoed. De rechtbank overweegt hierbij dat artikel 18, tweede lid, van richtlijn 2013/32 aldus moet worden begrepen dat verweerder in een concrete procedure, indien de vreemdeling verklaart slachtoffer te zijn geweest van vroegere vervolging of ernstige schade, moet motiveren waarom hij het niet relevant acht om een medisch onderzoek te verrichten naar aanwijzingen hiervoor en de vreemdeling er hierbij op moet wijzen dat op eigen initiatief en kosten kan worden verricht. In het geval uit zo’n op eigen initiatief verricht medisch onderzoek vervolgens blijkt dat er medisch steunbewijs is voor de verklaringen en de aanvankelijke geloofwaardigheidsbeoordeling geen stand meer houdt, is het tamelijk formalistisch om te verwijzen naar een Informatiebericht waarin nauwgezet wordt beschreven in welke situaties geen kostenvergoeding volgt. Verweerder is bij de beoordeling van asielaanvragen gehouden om samen te werken met de vreemdeling. Voor zover verweerder al meent dat dit in een concrete procedure niet vereist dat hij zelf forensisch medisch onderzoek entameert, dient verweerder alsnog invulling te geven aan zijn samenwerkingsplicht door de kosten te vergoeden voor het medisch onderzoek dat op initiatief van de vreemdeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank wijst verweerder er hierbij op dat verweerder niet hoeft te vrezen dat vreemdelingen lichtvaardig forensisch medisch onderzoek zullen laten verrichten. Het ondergaan van medisch onderzoek om na te gaan of indicaties bestaan voor vroegere vervolging of ernstige schade, dan wel of onderliggende problematiek interfereert met het vermogen om adequaat te verklaren zal doorgaans belastend zijn reeds omdat ondergane trauma’s worden ‘teruggehaald’ en worden besproken. Bovendien verricht het iMMO niet zonder meer op verzoek een forensisch medisch onderzoek maar zal eerst worden beoordeeld of dat zinnig is. De rechtbank wijst op de brief van het iMMO van 25 mei 2023, die eiser in zijn aanvullende zienswijze van 31 mei 2023 heeft overgelegd en waarin het iMMO aangeeft besloten te hebben het verzoek om een onderzoek in te willigen vanwege de ernst van de medische problematiek die zichtbaar is in de op dat moment voorhanden zijnde juridische en medische stukken in de procedure van eiser.
22. Niet zelden veroordelen rechters verweerder ondanks het niet zelf eerst verrichten van medisch onderzoek en het niet op eerste verzoek vergoeden van de gemaakte iMMO-kosten tot het alsnog voldoen van de gevraagde vergoeding. Het is weinig efficiënt dat over deze kostenvergoeding moet worden geprocedeerd. Dit geldt temeer in de onderhavige procedure. Indien verweerder had onderkend dat het laten verrichten van forensisch medisch onderzoek was geboden, had verweerder de tijd kunnen besparen om op 27 januari 2023 een voornemen van 12 pagina’s uit te brengen en meteen het relaas geloofwaardig kunnen achten. Nu verweerder zich op het standpunt stelt dat het terugkeerbesluit niet inhoudelijk zou moeten worden beoordeeld onder meer vanwege ‘de onnodige belasting voor zowel de rechtspraak als het bestuursorgaan’, is het aannemen van een proceshouding waardoor structureel moet worden geprocedeerd om de kosten die zijn gemoeid met het opstellen van een iMMO-rapportage vergoed te krijgen, niet alleen een onvoldoende invulling van de samenwerkingsplicht, maar ook weinig begrijpelijk vanuit de kennelijk gevoelde zorg voor een onnodige belasting van de rechtspraak.
23. De rechtbank verklaart het beroep dus gegrond en zal het terugkeerbesluit en inreisverbod vernietigen. Dit betekent dat verweerder de SIS-signalering moet verwijderen. Verweerder moet de proceskosten van eiser vergoeden en de rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de kosten die zijn gemoeid met het opstellen van de iMMO-rapportage. Verweerder heeft de kosten als zodanig verder niet betwist zodat de rechtbank verweerder zal opdragen om de gevraagde vergoeding van € 7.865,- integraal te voldoen.
24. De rechtbank zal ook een proceskostenveroordeling op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht uitspreken en daarbij het per 1 januari 2026 geïndexeerde bedrag van € 934,- per punt van hanteren (Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 november 2025, nr. 6844486, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken, Staatscourant 2025, 39855). De rechtbank zal een bedrag van € 2.335,- bepalen als hoogte van de proceskosten (1 punt voor het indienen van beroep, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na de tussenuitspraak).
25. Beslist wordt als volgt.