ECLI:NL:RBDHA:2026:3419

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
NL26.6668
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Paragraaf A5/6.8 Vreemdelingenregeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding

Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende persoon, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van een maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd op 26 september 2025. Tevens verzocht eiser om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting.

De rechtbank toetste of de voortzetting van de maatregel sinds 26 november 2025 rechtmatig is. Eiser stelde dat de voortduring niet tijdig was getoetst en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde, mede vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting naar Egypte binnen een redelijke termijn.

De rechtbank oordeelde dat verweerder nog niet verplicht was tot kennisgeving binnen 75 dagen en dat de voortgangsrapportage voldoende voortvarend handelen aantoonde, met regelmatige rappels bij de Egyptische autoriteiten en vertrekgesprekken met eiser. Het ontbreken van concrete uitzettingsreacties leidt niet tot onrechtmatigheid.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6668

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 26 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1] Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 13 februari 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Egyptische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en de voortduring daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [2] Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 26 november 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
Tijdige toetsing voortduring maatregel van bewaring
4. Eiser voert allereerst aan dat de voortduring van de maatregel van bewaring niet tijdig is getoetst. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat verweerder een kennisgeving van de voortduring van de maatregel van bewaring binnen 75 dagen aan de rechtbank heeft toegezonden, aldus eiser.
5. Uit paragraaf A5/6.8. van de Vc volgt dat verweerder in het tijdvak van drie maanden op grond van artikel 94 van Pro de Vw gehouden is de rechtbank ambtshalve op de hoogte te stellen van het opleggen of voortduren van een vrijheid ontnemende maatregel.
6. De rechtbank stelt vast dat sinds de sluiting van het onderzoek in het laatste beroep tegen de voortduring van de maatregel van bewaring, zoals volgt uit rechtsoverweging 3, de periode van drie maanden nog niet is verstreken, zodat verweerder nog niet gehouden was een kennisgeving aan de rechtbank toe te zenden om de voortduring van de maatregel van bewaring te toetsen.
Voortvarend handelen en zicht op uitzetting
7. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, omdat hij handelingen verricht zonder dat er een concrete voortgang is bewerkstelligd. Daarnaast ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte. Sinds 16 oktober 2025 wordt gerappelleerd bij de Egyptische autoriteiten zonder dat er enig concreet vooruitzicht op uitzetting is.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder regelmatig rappelleert bij de Egyptische autoriteiten, laatstelijk op 29 januari 2026, en voert hij regelmatig vertrekgesprekken met eiser, laatstelijk op 19 januari 2026. Verder zijn er ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Egypte in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. Dat de Egyptische autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de LP [3] -aanvraag of de rappels, leidt niet tot een andere conclusie. De LP-aanvraag is nog in behandeling en is niet gebleken dat de Egyptische autoriteiten geen LP zullen verstrekken.
Ambtshalve toets
10. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Rb Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12014 en 2 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23985.
3.Laissez-passer.