ECLI:NL:RBDHA:2026:3418

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
C/09/697102 / KG ZA 26-6
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 SvAlgemene verordening gegevensbeschermingProtocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële InstellingenGedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijdering persoonsgegevens uit Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister toegewezen

De zaak betreft een kort geding tussen een verzekeringsprofessional en Nationale-Nederlanden over de registratie van persoonsgegevens in diverse registers vanwege vermeende verzekeringsfraude.

De eiser, werkzaam als accountmanager in de verzekeringsbranche, werd door Nationale-Nederlanden geregistreerd in het Incidentenregister (IR) en het Extern Verwijzingsregister (EVR) wegens een vermeende poging tot misleiding bij het verzekeren van een hijskraan met schade in een onverzekerde periode. De eiser betwistte de beschuldigingen en vorderde verwijdering van zijn gegevens uit alle registers.

De voorzieningenrechter oordeelde dat opname in het IR en EVR een hoge drempel kent en dat onvoldoende concreet bewijs bestond voor fraude of opzettelijke misleiding door eiser. De belangenafweging wees uit dat de gevolgen voor eiser zwaarwegend zijn, waaronder het verlies van zijn baan en belemmering in zijn beroepsuitoefening. Daarom werd de vordering tot verwijdering uit IR en EVR toegewezen.

Voor de interne registers (GA en IVR) geldt een lagere toets, en de rechtbank vond dat de registratie daar gerechtvaardigd was vanwege de noodzaak tot opmerkzaamheid binnen de verzekeraar. De vordering tot verwijdering van deze interne registraties werd daarom afgewezen.

Nationale-Nederlanden werd veroordeeld tot verwijdering van de gegevens uit IR en EVR binnen drie werkdagen en tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Verwijdering van persoonsgegevens uit Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister toegewezen, verwijdering uit interne registers afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaak- /rolnummer: C/09/697102 / KG ZA 26-6
Vonnis in kort geding van 20 februari 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. M.R. van Leeuwen,
tegen
Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. E.A.L. van Emden.
Partijen worden hierna respectievelijk [eiser] en Nationale-Nederlanden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 januari 2026 met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord met producties A tot en met P;
- de op 28 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling waarbij door [eiser] pleitnotities zijn overgelegd.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is al ruim 40 jaar werkzaam in de verzekeringsbranche. Sinds 1 januari 2021 is hij in dienst bij [bedrijfsnaam] B.V. in de functie van accountmanager. In die functie treedt hij onder meer op voor cliënten bij de totstandkoming van verzekeringen met diverse verzekeraars, waaronder Nationale-Nederlanden, en bij contacten met verzekeraars ten behoeve van die cliënten.
2.2.
Op 18 september 2024 heeft [eiser] een e-mail ontvangen van cliënt [cliënt] B.V. (hierna: [cliënt]) over een RDW-verklaring van een niet verzekerde hijskraan (verder: de hijskraan) in eigendom bij [cliënt]. De hijskraan was geschorst tot 5 september 2024 en [cliënt] had een brief van de RDW ontvangen over een op te leggen boete voor het niet verzekerd zijn van de hijskraan. Naar aanleiding van de e-mail heeft [eiser] telefonisch contact opgenomen met Nationale-Nederlanden omtrent het (opnieuw) verzekeren van de hijskraan.
2.3.
Per e-mail van 19 september 2024 heeft [eiser] Nationale-Nederlanden verzocht om de hijskraan in dekking te nemen. Nationale-Nederlanden heeft vervolgens bij [eiser] navraag gedaan naar de afloopdatum van de schorsing. Op 27 september 2024 heeft [cliënt] [eiser] per e-mail laten weten dat de schorsing eind augustus 2024 was verlopen en heeft hij verzocht om de hijskraan in verzekering te nemen per 2 september 2024. [eiser] heeft dit bericht doorgestuurd naar Nationale-Nederlanden.
2.4.
Nationale-Nederlanden heeft op 1 oktober 2024 de polis voor de hijskraan afgegeven waarin als ingangsdatum van de polis 2 september 2024 is opgenomen.
2.5.
Op 27 november 2024 heeft tussen [eiser] en [cliënt] een gesprek plaatsgevonden waarin, onder meer, is gesproken over een schade veroorzaakt met de hijskraan. Diezelfde dag heeft [eiser] een e-mail aan [cliënt] gestuurd waarin onder meer staat:
“Naar aanleiding van ons gesprek van heden morgen, bevestig ik dat wij de schade van16 september 2024in behandeling gaan nemen.
Wij zullen via Nationale Nederlanden vragen om diverse partijen bij elkaar te krijgen: Expert via Nat Nederlanden / [naam] / Vertegenwoordiger van de opdrachtgever Mammoet en de kraanmachinist.
Gaarne verzoek ik om alle stukken en uitgebreid verhaal via de mail naar mij door te sturen, dan zal ik alles gedocumenteerd versturen naar Nationale Nederlanden.
PS. De Kraan is aangemeld op 18 september ( zie onderstaande ), de verklaring van RDW is 2-9-2024 en de schadedatum is 16-9-2024, gelukkig is de polis opgemaakt per 2 september 2024.
Ik hoop dat nationale Nederlandennietdit gaat controleren, de schade was dus al bekend op 18 september”
2.6.
[eiser] heeft op 4 december 2024 per e-mail [cliënt] nogmaals verzocht om de stukken om de schade te kunnen melden bij Nationale-Nederlanden. In diezelfde e-mail heeft [eiser] de tekst van zijn bericht van 27 november, zoals hierboven onder 2.5 weergegeven, herhaald.
2.7.
Op 13 maart 2025 heeft [eiser] de schade gemeld bij Nationale-Nederlanden, met het verzoek om met spoed een expert in te schakelen. [eiser] heeft diverse bijlagen bij zijn verzoek gevoegd. Daartoe behoorden ook zijn e-mails van 27 november en 4 december 2024 aan [cliënt], hiervoor in 2.5 en 2.6 genoemd.
2.8.
Naar aanleiding van de schademelding heeft Nationale-Nederlanden haar afdeling Speciale Zaken ingeschakeld. De afdeling Speciale Zaken heeft in het kader van haar onderzoek gesprekken gevoerd met zowel [eiser] als met [cliënt]. [cliënt] heeft meermaals verklaard dat hij [eiser] op 18 september 2024 al had geïnformeerd over het schadevoorval met de hijskraan van 16 september 2024. [eiser] heeft verklaard dat hij pas in november 2024 door [cliënt] is geïnformeerd over de schade van 16 september 2024.
2.9.
Nationale-Nederlanden heeft [eiser] per brief van 18 juni 2025 bericht dat zij hem voor drie jaar extern en voor acht jaar intern registreert, omdat [eiser] volgens Nationale-Nederlanden de hijskraan, die tijdens een onverzekerde periode schade veroorzaakte, alsnog met terugwerkende kracht in dekking heeft laten nemen. Volgens Nationale-Nederlanden was [eiser] in ieder geval op 27 november 2024 op de hoogte van de schade die tijdens de onverzekerde periode was ontstaan. Daarbij zou [eiser] de hoop hebben uitgesproken dat Nationale-Nederlanden bij controle niet zou ontdekken dat het een schade tijdens de onverzekerde periode betrof. Die tekst toont volgens Nationale-Nederlanden aan dat [eiser] opzettelijk heeft geprobeerd Nationale-Nederlanden te misleiden om een onverzekerde schade vergoed te krijgen. Nationale-Nederlanden heeft daar vervolgens diverse gevolgen aan verbonden.
2.10.
[eiser] heeft Nationale-Nederlanden per brieven van 29 juni en 6 augustus 2025 verzocht het standpunt te herzien. Nationale-Nederlanden liet weten haar standpunt niet te herzien. Op 11 augustus 2025 is [eiser] zodoende een procedure bij Stichting Klachteninstituut financiële dienstverlening (hierna: Kifid) gestart. Nationale-Nederlanden heeft daar verweer gevoerd. Op 14 januari 2026 heeft [eiser], wegens de schorsende werking die het aanhangig maken van dit kort geding heeft in de Kifid-procedure, de procedure bij Kifid ingetrokken.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Nationale-Nederlanden te veroordelen:
I. om binnen 48 uur na aanschrijving daartoe aantoonbaar zorg te dragen voor verwijdering van de persoonsgegevens van [eiser] uit het Extern Verwijzings-register (EVR), bij gebreke waarvan Nationale-Nederlanden een dwangsom zal verbeuren van € 10.000,00 per dag of dagdeel dat dit niet is geschied met een maximum van € 500.000,00;
II. om binnen 48 uur na aanschrijving daartoe aantoonbaar zorg te dragen voor verwijdering van de persoonsgegevens van [eiser] uit het Intern Verwijzings-register (IVR), bij gebreke waarvan Nationale-Nederlanden een dwangsom zal verbeuren van € 2.500,00 per dag of dagdeel dat dit niet is geschied met een maximum van € 100.000,00;
III. om binnen 48 uur na aanschrijving daartoe aantoonbaar zorg te dragen voor verwijdering van de persoonsgegevens van [eiser] uit de Gebeurtenissenadministratie en het Incidentenregister, bij gebreke waarvan Nationale-Nederlanden een dwangsom zal verbeuren van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat dit niet is geschied met een maximum van € 50.000,00;
IV. in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Hoewel voor verwerking in het EVR geen strafrechtelijke veroordeling vereist is, dient er wel sprake te zijn van feiten en omstandigheden die zodanig concreet zijn, dat zij een als een strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaringen kunnen dragen. Een redelijk vermoeden van schuld, waarvan Nationale-Nederlanden [eiser] beschuldigt, is daarmee onvoldoende. Er kan niet worden aangenomen dat sprake is van opzettelijke misleiding of fraude zoals door Nationale-Nederlanden gesteld. Nationale-Nederlanden heeft een redelijk vermoeden op basis van de enkele zin in de e-mail van 27 november 2024. Een EVR-registratie kan en mag echter niet worden gebaseerd op aannames of interpretaties. In deze zaak ontbreekt elk concreet bewijs van fraude of opzettelijke misleiding. Er is geen objectieve aanwijzing dat [eiser] heeft gehandeld met het oogmerk om Nationale-Nederlanden te benadelen, aldus [eiser].
3.3.
Bovendien is de proportionaliteitstoets niet doorstaan. Deze toets vergt een zorgvuldiger belangenafweging dan nu is gedaan. Bij de belangenafweging moeten alle relevante omstandigheden worden betrokken, waaronder de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid, de gevolgen voor [eiser] en dienst persoonlijke en professionele achtergrond. Uit het verweer van Nationale-Nederlanden blijkt dat zij uitsluitend gewicht heeft toegekend aan haar eigen belang en een vermeende schending van vertrouwen. Zij heeft geen blijk gegeven van enig inzicht in de persoonlijke impact van het besluit noch van de omstandigheid dat [eiser] gedurende het hele proces open en transparant heeft gehandeld.
3.4.
Nationale-Nederlanden voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling

4.1.
Nationale-Nederlanden betwist het bestaan van een spoedeisend belang bij de vorderingen van [eiser], omdat – kort gezegd – niet blijkt dat de registraties vergaande gevolgen hebben die [eiser] stelt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarentegen voldoende duidelijk dat [eiser] door de registraties momenteel ernstig wordt belemmerd om werkzaam te zijn als (of voor een) verzekeringstussenpersoon. Voor [eiser] is het in ieder geval momenteel niet mogelijk om voor zijn werkgever [bedrijfsnaam] te werken, omdat [bedrijfsnaam] na de brief van 18 juni 2025 van Nationale-Nederlanden [eiser] op non-actief heeft gesteld en tevens de arbeidsovereenkomst met [eiser] wenst te beëindigen, waartoe een ontbindingsprocedure is gestart. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet van [eiser] worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
4.2.
[eiser] vordert een gebod tot verwijdering van zowel de interne als de externe registraties. Het gaat om de registraties in het IVR en de Gebeurtenissenadministratie (GA) van Nationale-Nederlanden en om de opname in het Incidentenregister (IR) en het daaraan gekoppelde EVR. Voor de verschillende registraties gelden verschillende regels en maatstaven. Voor opname in het IR en het daaraan gekoppelde EVR geldt een hogere drempel en daarin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om eerst deze registraties te beoordelen.
IR en EVR
4.3.
Opname in het IR en het daaraan gekoppelde EVR kan verstrekkende gevolgen hebben: deelnemende ondernemingen kunnen door raadpleging van het EVR vaststellen dat sprake is van opname in het IR door een andere deelnemer. Deelnemende ondernemingen kunnen ook de reden van opname in het IR opvragen. Dit kan ertoe leiden dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het IR is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren. Om die reden ligt de lat hoog voor opname van gegevens in deze registers. [1]
4.4.
Opname in het IR en EVR vindt slechts plaats – en is alleen dan aanvaardbaar – voor zover de opname in overeenstemming is met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI). Op grond van het PIFI kan registratie plaatsvinden (verkort gezegd) als (1) de gedraging van de betrokken (rechts)persoon, [eiser] in dit geval, een bedreiging vormt of kan vormen voor de verzekeraar of de financiële sector, (2) in voldoende mate vaststaat dat [eiser] betrokken is bij de laakbare gedragingen en (3) bij de registratie het proportionaliteitsbeginsel in acht is genomen.
4.5.
Niet vereist voor opname is een veroordeling door de strafrechter. Er moet sprake zijn van zodanig concrete feiten en omstandigheden dat voldoende bewijs beschikbaar is van een onrechtmatige of strafbare gedraging in de zin van artikel 350 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Er moet dus duidelijk meer zijn dan enkel een redelijk vermoeden van schuld. [2] Uitgangspunt is verder dat het aan de verzekeraar, Nationale-Nederlanden, is om te concretiseren en te onderbouwen waarom registratie gerechtvaardigd is. Ten slotte moet, zowel op grond van de AVG als op grond van het PIFI, een belangenafweging plaatsvinden, waarbij alle bekende feiten en omstandigheden moeten worden betrokken. Bij elke verwerking van persoonsgegevensregistratie moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
4.6.
De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat de gedragingen van [eiser] (meer dan) een redelijk vermoeden van schuld aan verzekeringsfraude opleveren. Daar komt bij dat de registraties in het IR en EVR in ieder geval op grond van een belangenafweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter ongedaan dienen te worden gemaakt. Hiervoor is het volgende redengevend.
4.7.
Volgens Nationale-Nederlanden moet uit het geheel van handelingen van [eiser] worden afgeleid dat hij een opzettelijke poging heeft gedaan om Nationale-Nederlanden te bewegen tot het doen van een kenbaar onverschuldigde uitkering. Zij stelt daartoe het volgende. Gelet op de verklaring van [cliënt] wist [eiser] volgens Nationale-Nederlanden op het moment dat hij Nationale-Nederlanden verzocht om de hijskraan te verzekeren, dat er met die hijskraan reeds schade was veroorzaakt. [eiser] had dat bij Nationale-Nederlanden moeten melden. Voor zover [eiser], zoals hij stelt, op 19 september 2024 nog niet wist van het schadevoorval, dan was hij volgens Nationale-Nederlanden gehouden om Nationale-Nederlanden hier alsnog proactief over te informeren toen [eiser] dit op 27 november 2024, zoals hij zelf stelt, wel wist. Immers ging het om een schade die tijdens een onverzekerde periode was ontstaan, maar voor welke periode met terugwerkende kracht op verzoek van [cliënt] via [eiser] dekking was verleend. [eiser] deed die melding bij Nationale-Nederlanden niet en sprak vervolgens in de e-mail van 27 november 2024 richting [cliënt] de hoop uit dat Nationale-Nederlanden het niet zou controleren. Nationale-Nederlanden verwijt [eiser] verder dat hij in november 2024 geen expert en/of juridisch adviseur voor deze kwestie heeft ingeschakeld, terwijl hij zou hebben geweten dat het een grote en bovendien onverzekerde schade betrof. Vervolgens heeft [eiser] op 13 maart 2025 de claim bij Nationale-Nederlanden ingediend, zonder daarbij te vermelden dat dit ging om een schade veroorzaakt met de hijskraan waar Nationale-Nederlanden met afgifte van de polis op 1 oktober 2024 met terugwerkende kracht per 2 september 2024 dekking voor had verleend. Van [eiser] had, zeker gelet op zijn functie als tussenpersoon – waarin integriteit wordt verlangd – en ruime werkervaring, anders moeten handelen, aldus nog steeds Nationale-Nederlanden.
4.8.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk dat [eiser] op 19 september 2024, het moment dat hij contact had met Nationale-Nederlanden over het verzekeren van de hijskraan, al wist van het schadevoorval met de hijskraan op 16 september 2024. [cliënt] heeft dat weliswaar verklaard tegenover Nationale-Nederlanden, maar [eiser] betwist dit en voor deze veronderstelling is geen enkel nader houvast. Het komt de voorzieningenrechter weinig aannemelijk voor dat, zou [eiser] van het schadevoorval hebben geweten, pas twee maanden na de sluiting van de verzekeringsovereenkomst, een gesprek tussen [eiser] en [cliënt] zou hebben plaatsgevonden over dat schadevoorval, welk gesprek vervolgens wél diezelfde dag per e-mail door [eiser] wordt bevestigd. Die bevestiging refereert bovendien op geen enkele wijze aan eerder contact tussen [cliënt] en [eiser] over deze schadekwestie. Dat [eiser] Nationale-Nederlanden dus opzettelijk heeft verzocht om de hijskraan met terugwerkende kracht te verzekeren, terwijl hij wist dat er reeds schade was veroorzaakt met de hijskraan, is onvoldoende aannemelijk.
4.9.
Wel staat vast dat, gelet op de e-mail van 27 november 2024, [eiser] eind november 2024 wel op de hoogte was van het schadevoorval. Anders dan Nationale-Nederlanden betoogt is de voorzieningenrechter van oordeel dat er voor [eiser] op dat moment geen verplichting was om Nationale-Nederlanden over die schade en de schadedatum in het licht van de met terugwerkende kracht gesloten verzekeringsovereenkomst, te informeren. Nationale-Nederlanden heeft niet, althans onvoldoende, toegelicht, waar die verplichting voor [eiser] op gebaseerd zou moeten worden. Duidelijk is dat [eiser] in die periode nog informatie verzamelde (althans door [cliënt] liet verzamelen) en dat er op dat moment geheel nog geen beroep werd gedaan op dekking. Dat de claim daadwerkelijk zou worden ingediend, leek op dat moment ook nog ongewis.
4.10.
Op 13 maart 2025 diende [eiser] voor verzekerde [cliënt] alsnog een claim voor de betreffende schade in. Nationale-Nederlanden stelt niet ten onrechte dat van [eiser], als tussenpersoon en in het licht van de vertrouwensrelatie tussen [eiser]/diens werkgever enerzijds en Nationale-Nederlanden anderzijds, de kanttekening op zijn plaats zou zijn geweest dat het hier ging om een schade ontstaan in de periode voor de dag van sluiting van de verzekering. Daar staat tegenover dat Nationale-Nederlanden de verzekering uiteindelijk zelf met terugwerkende kracht heeft laten ingaan (dat had zij ook niet kunnen doen) en zelf ook een signalering op de polis daarover had kunnen opnemen, maar dat kennelijk niet of niet voldoende zichtbaar heeft gedaan. Nationale-Nederlanden heeft daarover ter zitting slechts gezegd dat verzekeringsaanvragen en schademeldingen via andere afdelingen lopen en dat de schadebehandelaar daardoor niet op de hoogte was van het feit dat de polis met terugwerkende kracht was ingegaan. De gevolgen van deze niet vlekkeloze wijze van administreren en de scheiding van taken binnen de organisatie van Nationale-Nederlanden kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer bij [eiser] neergelegd worden. Hoewel dus een kanttekening of waarschuwing van [eiser] op zijn plaats zou zijn geweest, valt uit het ontbreken van die waarschuwing naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het kwaad opzet van [eiser] om Nationale-Nederlanden te misleiden op te maken.
4.11.
Voor zover de opzet tot het misleiden van Nationale-Nederlanden (mede) moet worden afgeleid uit de e-mail van 27 november 2024 waarin [eiser] aan [cliënt] schrijft dat hij hoopt dat Nationale-Nederlanden het een en ander niet gaat controleren, volgt de voorzieningenrechter dit betoog niet. Het gaat hier namelijk om een e-mail van [eiser] aan [cliënt]. [eiser] heeft ter zitting desgevraagd verklaard [cliënt] als verzekerde te hebben willen waarschuwen dat de schade mogelijk niet gedekt zou zijn, omdat de schade al bestond op het moment dat aan Nationale-Nederlanden was verzocht om de hijskraan in verzekering te nemen. [eiser] noemde dat een “commerciële mededeling” en beaamde dat de gekozen bewoordingen – in het licht van het verwijt dat Nationale-Nederlanden hem maakt – niet juist gekozen waren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] de waarschuwing aan [cliënt] minst genomen zeer ongelukkig heeft geformuleerd en een duidelijke waarschuwing aan de cliënt op zijn plaats zou zijn geweest. Maar uit de handelwijze kan in redelijkheid niet worden afgeleid dat [eiser] daarmee het opzet heeft gehad om Nationale-Nederlanden te misleiden. Zou [eiser] immers daadwerkelijk die intentie hebben gehad, zoals Nationale-Nederlanden aan de hand van de betreffende zin in die e-mail (letterlijk herhaald in de e-mail van 4 december 2024) betoogt, dan lag het bepaald niet voor de hand dat hij die e-mail van 27 november 2024 en de e-mail van 4 december 2024 zelf zou hebben meegestuurd naar Nationale-Nederlanden. In die e-mails wordt immers door [eiser] juist expliciet vastgesteld dat de schade tijdens de ‘onverzekerde periode’ is ontstaan.
4.12.
Hoewel het ontbreken van een kanttekening of waarschuwing richting Nationale-Nederlanden bij de indiening van de claim namens [cliënt] en de onbeholpen waarschuwing aan [cliënt] in beide e-mails– in samenhang bezien – bepaald niet de schoonheidsprijs verdienen, blijkt er naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende uit dat [eiser] Nationale-Nederlanden heeft willen misleiden.
4.13.
Hoewel naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is van een incident op grond waarvan een registratie in beginsel gerechtvaardigd zou zijn, zal toch nog aandacht worden besteed aan de door Nationale-Nederlanden te maken belangenafweging in het kader van de voorgenomen registratie in het IR en EVR. Als het hiervoor besproken aan [eiser] verweten gedrag – in het kader van de belangenafweging – wordt afgezet tegen de ingrijpende gevolgen voor [eiser], dan brengt dat de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de belangenafweging in het voordeel van [eiser] uitvalt. Hierin weegt mee dat [eiser] al ruim 40 jaar, zonder dat is gebleken van eerdere voorvallen die twijfel aan zijn integriteit zouden kunnen oproepen, werkzaam is in de verzekeringsbranche. Hij wordt door de registraties zwaar geraakt doordat zijn werkgever nu dreigt een einde te maken aan de arbeidsrelatie omdat – zo begrijpt de voorzieningenrechter – [eiser] momenteel niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten. Daarbij valt te verwachten dat het vinden van een nieuwe werkkring in deze branche, met de registraties die [eiser] nu achter zijn naam heeft staan, een zeer moeilijke al dan niet onmogelijke opgave zal zijn. Nationale-Nederlanden heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij zodanige belangen heeft die in dit geval zwaarder wegen dan die van [eiser]. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de beperking van de registratie tot een duur van drie jaar onvoldoende tegemoet komt aan de zwaarwegende belangen van [eiser] die zo ongeveer juist die periode voor de boeg heeft vooraleer de pensioengerechtigde leeftijd te bereiken.
4.14.
De vorderingen van [eiser] tot verwijdering van de registraties in het IR en EVR worden toegewezen, met dien verstande dat Nationale-Nederlanden drie werkdagen de tijd krijgt om daarvoor zorg te dragen. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.
GA en IVR
4.15.
Op de GA en IVR is de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars (de Gedragscode) van toepassing. In 4.5.3 van de Gedragscode is onder meer bepaald dat verzekeraars een GA bijhouden ter waarborging van de veiligheid en integriteit van de dienstverlening en de sector. In de GA worden gebeurtenissen geregistreerd. De Gedragscode omschrijft een gebeurtenis als een voorval dat de aandacht van de verzekeraar verlangt vanwege een (mogelijk) effect op de veiligheid en integriteit van de bedrijfsvoering, werknemers, klanten, overige relaties en de verzekeringsbranche. Hieronder valt bijvoorbeeld mogelijke fraude of ander laakbaar of onrechtmatig gedrag. Op grond van de Gedragscode kan aan de opname van een gebeurtenis in de GA opname in het IVR worden gekoppeld.
4.16.
Uit het voorgaande blijkt dat de toets voor opname in de GA en het IVR lichter is dan voor opname in het IR en EVR. Het is namelijk voldoende dat er sprake is van een gebeurtenis die de aandacht van de verzekeraar behoeft vanwege een mogelijk effect op de veiligheid en integriteit. Aan deze lichtere eis is in dit geval voldaan. Het is te begrijpen dat bij Nationale-Nederlanden in het licht van het voorgaande (de tekst in de beide e-mails, het gebrek aan een kanttekening/waarschuwing bij de indiening van de claim) twijfels zijn gerezen over de intenties van [eiser]. Die twijfels zijn niet onbegrijpelijk en rechtvaardigen opmerkzaamheid binnen de organisatie van Nationale-Nederlanden, waarmee sprake is van een ‘gebeurtenis’ zoals hiervoor beschreven.
4.17.
Voor de vraag of de registratie gerechtvaardigd is, is ook van belang of is voldaan aan de proportionaliteitstoets. Hierbij gaat het om een afweging van de belangen van beide partijen. Voor [eiser] is het belang gelegen in het feit, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter, dat hij beroepsmatig veel verzekeringen bij Nationale-Nederlanden heeft lopen, want veel van zijn verzekerden hebben één of meerdere verzekeringen bij Nationale-Nederlanden. Als de interne registraties ervoor zorgen dat [eiser] bij Nationale-Nederlanden beroepsmatig geen verzekeringsaanvragen en claims kan indienen, dan betekent dat dat hij zijn werk niet kan uitvoeren, aldus [eiser]. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] niet, althans onvoldoende, toegelicht dat de interne registraties ervoor zorgen dat het hem in de praktijk daadwerkelijk onmogelijk wordt gemaakt om zijn werkzaamheden uit te voeren en zijn functie uit te oefenen. Wellicht zorgen de interne registraties bij Nationale-Nederlanden voor beperktere mogelijkheden of vergen die aanpassingen in de werkzaamheden die [eiser] normaal gesproken bij [bedrijfsnaam] verricht, maar dat sprake is van een meer dan beperkte belemmering in de vervulling van zijn taken bij [bedrijfsnaam] is niet gebleken. De voorzieningenrechter komt daarom tot de conclusie dat het belang van [eiser] bij verwijdering van de interne registraties niet zwaarder weegt dan het belang van Nationale-Nederlanden bij handhaving daarvan. De vorderingen van [eiser] tot verwijdering van de registraties in de GA en het IVR worden daarom afgewezen.
4.18.
Nationale-Nederlanden is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.707,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt Nationale-Nederlanden om binnen drie werkdagen na aanschrijving daartoe aantoonbaar zorg te dragen voor verwijdering van de persoonsgegevens van [eiser] uit het Incidentenregister (IR) en het Extern Verwijzings-register (EVR), op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel met een maximum van € 100.000,00;
5.2.
veroordeelt Nationale-Nederlanden in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Nationale-Nederlanden niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.
lp

Voetnoten

1.Gerechtshof Amsterdam 13 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2284.
2.HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720.