Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties A tot en met P;
- de op 28 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling waarbij door [eiser] pleitnotities zijn overgelegd.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een kort geding tussen een verzekeringsprofessional en Nationale-Nederlanden over de registratie van persoonsgegevens in diverse registers vanwege vermeende verzekeringsfraude.
De eiser, werkzaam als accountmanager in de verzekeringsbranche, werd door Nationale-Nederlanden geregistreerd in het Incidentenregister (IR) en het Extern Verwijzingsregister (EVR) wegens een vermeende poging tot misleiding bij het verzekeren van een hijskraan met schade in een onverzekerde periode. De eiser betwistte de beschuldigingen en vorderde verwijdering van zijn gegevens uit alle registers.
De voorzieningenrechter oordeelde dat opname in het IR en EVR een hoge drempel kent en dat onvoldoende concreet bewijs bestond voor fraude of opzettelijke misleiding door eiser. De belangenafweging wees uit dat de gevolgen voor eiser zwaarwegend zijn, waaronder het verlies van zijn baan en belemmering in zijn beroepsuitoefening. Daarom werd de vordering tot verwijdering uit IR en EVR toegewezen.
Voor de interne registers (GA en IVR) geldt een lagere toets, en de rechtbank vond dat de registratie daar gerechtvaardigd was vanwege de noodzaak tot opmerkzaamheid binnen de verzekeraar. De vordering tot verwijdering van deze interne registraties werd daarom afgewezen.
Nationale-Nederlanden werd veroordeeld tot verwijdering van de gegevens uit IR en EVR binnen drie werkdagen en tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Verwijdering van persoonsgegevens uit Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister toegewezen, verwijdering uit interne registers afgewezen.