Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 29 februari 2024 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Deze termijn werd aanvankelijk verlengd, maar de verlenging werd ingetrokken, waardoor de reguliere termijn van zes maanden weer geldt.
Eiseres stelde de minister op 4 november 2025 in gebreke en diende daarna beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister de beslistermijn van 21 maanden ruimschoots heeft overschreden en eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van acht weken op waarbinnen de minister alsnog moet beslissen.
Daarnaast wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd met een maximum van € 15.000 om naleving van deze termijn af te dwingen. De minister wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 467 vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier M.H.G.P. Tober op 5 februari 2026.