Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder had de rechtbank een termijn van twee weken gesteld waarbinnen de minister moest beslissen, maar deze termijn is verstreken zonder besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken beslistermijn bevatte. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit genomen, waardoor het beroep gegrond is.
De rechtbank stelt een nieuwe beslistermijn van acht weken na verzending van deze uitspraak vast, rekening houdend met het feit dat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven en dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €250 per dag met een maximum van €37.500 bij overschrijding van deze termijn.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €467, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier M.H.G.P. Tober op 5 februari 2026.