ECLI:NL:RBDHA:2026:3381

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
NL25.61234
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vw 2000Art. 64 Vw 2000Art. 66a Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag en oplegging inreisverbod

Eiser, met de Malinese nationaliteit, diende op 22 november 2025 een asielaanvraag in. De minister van Asiel en Migratie verklaarde deze aanvraag op 7 december 2025 niet-ontvankelijk omdat Canada als veilig derde land werd beschouwd. Tevens werd een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.

Eiser keerde op 12 december vrijwillig terug naar Mali en ambieert geen asiel meer in Nederland. De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang meer heeft bij het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag, waardoor dit deel van het beroep niet-ontvankelijk is. Wel is het beroep tegen het inreisverbod ontvankelijk omdat eiser belang heeft bij de rechtmatigheid van dit besluit.

De rechtbank stelt vast dat het inreisverbod terecht is opgelegd op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000, ondanks de vrijwillige terugkeer van eiser. De stelling dat het inreisverbod onevenredig is omdat het reizen binnen de EU wordt beperkt, faalt. Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61234

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. van der Lei).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 22 november 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 7 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard omdat Canada voor eiser als veilig derde land wordt beschouwd. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Malinese nationaliteit en heeft een asielaanvraag ingediend. Volgens verweerder is de aanvraag niet-ontvankelijk, omdat Canada voor eiser een veilig derde land is. Aan eiser is daarom een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn, gericht op Canada of, via een removal order, Turkije, en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser is op 12 december vrijwillig teruggekeerd naar Mali en ambieert geen asiel meer in Nederland. Al voordat verweerder het voornemen uitbracht, heeft eiser te kennen gegeven terug te willen keren naar Mali. Hij vindt de oplegging van het inreisverbod onterecht en onevenredig omdat hij daardoor de komende twee jaar ook niet meer naar andere Europese landen kan reizen. Canada is onterecht als veilig derde land aangemerkt. Indien verweerder de aanvraag niet mocht afwijzen op voornoemde grondslag, komt daarmee ook het inreisverbod te vervallen. Daarom heeft eiser procesbelang bij de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft verweerder in overweging gegeven om hetzij het asielbesluit in te trekken en de aanvraag alsnog buiten behandeling te stellen zonder oplegging van een terugkeerbesluit en inreisverbod dan wel uitsluitend het inreisverbod in te trekken onder aanbieding van proceskosten, zodat de zaak kon worden geschikt zonder dat een uitspraak nodig is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ontvankelijkheid van het beroep, voor zover dat gericht is tegen de niet-ontvankelijk verklaring van eisers asielaanvraag
4. Gelet op de mededeling van eiser dat hij inmiddels vrijwillig is teruggekeerd naar Mali en geen asiel in Nederland meer ambieert, ziet de rechtbank zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij zijn beroep voor zover dat is gericht tegen het standpunt van verweerder dat Canada voor hem een veilig derde land is en de afwijzing van zijn asielaanvraag als niet-ontvankelijk.
4.1.
Niet in geschil is dat eiser, nu hij is teruggekeerd naar Mali, niet meer hoeft terug te keren naar Canada. De rechtbank oordeelt dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het standpunt van verweerder dat Canada voor eiser een veilig derde land is. Eiser heeft ook geen (proces)belang meer bij beoordeling van de niet-ontvankelijk verklaring van zijn asielaanvraag. Redengevend hiervoor is dat eiser te kennen heeft gegeven geen behoefte meer te hebben aan en aanspraak te maken op internationale bescherming en dus een verblijfsvergunning asiel.
4.2.
Het beroep van eiser, voor zover dat gericht is tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag, is daarom niet ontvankelijk.
Ontvankelijkheid van het beroep, voor zover dat gericht is tegen de oplegging van het inreisverbod
5. In het bestreden besluit is aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De hoogste bestuursrechter heeft in een uitspraak van 21 maart 2024 overwogen dat ook een vreemdeling die reeds vertrokken is er belang bij kan hebben de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit te betwisten. [2] Eiser heeft dit belang onderbouwd met de stelling dat hij de komende twee jaar de Europese Unie niet meer kan inreizen. De rechtbank oordeelt dat eiser daarom, ondanks zijn uitreizen, belang bij heeft bij zijn beroep tegen het terugkeerbesluit.
5.1.
Het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het inreisverbod, is daarom ontvankelijk.
5.2.
Op grond van artikel 66a, eerste lid en onder b, van de Vw 2000, vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet Pro van toepassing is en die Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit. Op eiser is artikel 64 van Pro de Vw niet van toepassing en aan hem is een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn opgelegd, zodat hij Nederland niet binnen een bepaalde termijn kón verlaten. Eiser heeft tegen het terugkeerbesluit geen gronden gericht.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden een inreisverbod verbod opgelegd aan eiser. Eiser is weliswaar op 15 december 2025 vrijwillig vertrokken en heeft hiermee aan zijn terugkeerverplichting voldaan, maar dat kan niet leiden tot de conclusie dat verweerder niet op grond van artikel 66a, eerste lid en onder b, van de Vw 2000, gehouden was een inreisverbod op te leggen. De enkele stelling dat eiser nu gedurende twee jaar de Europese Unie niet kan inreizen, is geen omstandigheid waardoor verweerder af had moeten zien van het inreisverbod. De beroepsgrond slaagt niet.
5.4.
Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen de oplegging van het inreisverbod, ongegrond.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep, voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag, is niet-ontvankelijk.
7. Het beroep, voor zover gericht tegen de oplegging van het inreisverbod, is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag, niet ontvankelijk.
  • verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen de oplegging van het inreisverbod, ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.ECLI:NL:RVS:2024:1178, rechtsoverweging 2 tot en met 4.