ECLI:NL:RBDHA:2026:338
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken feitelijke gezinsband ondanks huwelijk
De zaak betreft de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis van de echtgenote van de referent. De minister wees de aanvraag af omdat er geen feitelijke gezinsband tussen de referent en eiseres zou bestaan, ondanks het feit dat zij getrouwd zijn via een videoverbinding.
Eiseres betoogde dat het huwelijk voldoende is om een gezinsband aan te nemen en verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zij stelde dat de minister ten onrechte een feitelijke gezinsband eiste, tenzij sprake is van een vermoeden van schijnhuwelijk. Subsidiair voerde zij aan dat de lange afstandsrelatie het gevolg is van een gedwongen vluchtsituatie.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het huwelijk een sterke aanwijzing is, het niet automatisch betekent dat een feitelijke gezinsband bestaat. De minister mocht toetsen of er daadwerkelijk sprake was van een gezinsleven dat hersteld kon worden. Gelet op het feit dat de echtgenoten elkaar sinds 2013/2014 niet fysiek hebben gezien, alleen telefonisch contact hadden en nooit samenwoonden, was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een feitelijke gezinsband bestond op het moment van binnenkomst van de referent.
De rechtbank concludeerde dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. De oprechtheid van het huwelijk werd niet betwist, maar de wens om samen te zijn is onvoldoende om de aanvraag toe te wijzen. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de mvv-aanvraag wegens het ontbreken van een feitelijke gezinsband.