ECLI:NL:RBDHA:2026:3358

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
SGR 24/6415 en 24/6533
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 3:15 BWArt. 4:5 AwbArt. 24 ROWArt. 28 ROW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing octrooiaanvragen wegens misbruik van recht door hergebruikte aanvragen

De rechtbank Den Haag heeft op 20 februari 2026 uitspraak gedaan in de bestuursrechtelijke zaken SGR 24/6415 en 24/6533, waarin Fujian Sanan Sino-Science Photobiotech (eiseres) beroep instelde tegen besluiten van Octrooicentrum Nederland (verweerder) die twee octrooiaanvragen (NL010 en NL012) niet in behandeling namen wegens misbruik van recht.

De rechtbank oordeelde dat eiseres met deze aanvragen het recht om octrooi aan te vragen misbruikte, omdat het ging om letterlijke kopieën van eerder gepubliceerde Chinese octrooiaanvragen die reeds tot de stand van de techniek behoren. Dit misbruik schaadt het belang van verweerder bij een goed functionerend octrooisysteem, dat door de toestroom van dergelijke hergebruikte aanvragen ernstig werd belast.

Eiseres voerde aan dat zij geen belang hoefde te stellen bij haar aanvragen en dat misbruik van recht geen geldige grondslag was voor afwijzing. De rechtbank verwierp deze stellingen en stelde dat het belang van verweerder bij het voorkomen van een stortvloed van ongeldige aanvragen zwaarder weegt dan het belang van eiseres. De beroepen werden ongegrond verklaard en de aanvragen terecht buiten behandeling gesteld.

De uitspraak bevestigt dat het bestuursorgaan op grond van het leerstuk van misbruik van recht bevoegd is om octrooiaanvragen niet in behandeling te nemen indien deze evident niet bijdragen aan de stand van de techniek en het octrooisysteem ondermijnen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat de octrooiaanvragen terecht niet in behandeling zijn genomen wegens misbruik van recht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/6415 en 24/6533

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

Fujian Sanan Sino-Science Photobiotech Co. Ltd., China, eiseres

(gemachtigden: mr. O.P. Swens en mr. M. Hendriks),
en

Octrooicentrum Nederland, verweerder

(gemachtigden: mr. dr. ir. J.W. Meeuwisse en mr. S.I. Kantas).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de besluiten van verweerder van 30 mei 2024, waarin verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten van 29 september 2023 en 26 januari 2024 ongegrond heeft verklaard. De primaire besluiten hielden in dat de op 6 juni 2023 ingediende octrooiaanvragen met nummer NL2035012 (hierna: NL012) en nummer NL2035010 (hierna: NL010) niet in behandeling werden genomen wegens – kort gezegd – misbruik van het door de Rijksoctrooiwet 1995 (hierna: ROW) geboden recht om een aanvraag om octrooi in te dienen. De beroepen zijn tijdig ingediend op 28 juni 2024 en nadien bij brief van 2 oktober 2024 aangevuld met de gronden van het beroep.
2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift, ingediend op 9 december 2024. De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en de gemachtigden van verweerder. Tevens was aanwezig mw. [naam 1] , directeur van verweerder en mw. [naam 2] , juridisch adviseur bij verweerder. Op zitting hebben partijen de zaak toegelicht. Eiseres heeft daarbij gebruik gemaakt van een eerder toegestuurde reactie op het verweerschrift van 13 november 2025, die, zo bleek ter zitting, zowel de rechtbank als verweerder niet had bereikt. De gemachtigden van eiseres hebben ter zitting een digitale kopie van deze reactie gestuurd en daaruit gepleit de paragrafen 1.1. t/m 1.11., 2.1. t/m 2.4., 2.5. behoudens de ingesprongen alinea ‘nota bene’, 3.1. t/m 3.5., 3.6. behoudens het gedeelte achter de komma in de laatste zin, 4.1. t/m 6.7. Verder heeft eiseres gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. Verweerder heeft zich eveneens bediend van pleitnotities. Al deze stukken maken deel uit van het procesdossier.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Verweerder is belast met de behandeling van octrooiaanvragen op grond van de ROW. Sinds de inwerkingtreding van de ROW kent Nederland een zogeheten registratie-octrooi. Een dergelijk octrooi wordt door verweerder verleend voor maximaal 20 jaar, zonder dat de uitvinding waarvoor octrooi wordt aangevraagd wordt getoetst op octrooieerbaarheidsvereisten zoals nieuwheid en inventiviteit. Bij een aanvraag voor een octrooi is weliswaar een onderzoek naar de stand van de techniek (nieuwheidsonderzoek) vereist, maar de uitkomst daarvan heeft geen gevolgen voor de verlening van het octrooi. Op grond van artikel 31 in Pro samenhang met artikel 36, derde lid, ROW wordt het octrooi zo spoedig mogelijk na verloop van achttien maanden na de datum van indiening of, in voorkomend geval, de datum van voorrang, in het octrooiregister ingeschreven.
4. Eind 2021 werd verweerder geconfronteerd met een buitengewone toename van octrooiaanvragen. Eind 2021/begin 2022 ontving zij meer aanvragen uit China dan uit de rest van de wereld (tot wel meer dan 200 per maand, waar normaliter in totaal 200 à 250 aanvragen per maand werden ontvangen). Deze aanvragen betroffen vrijwel steeds letterlijke kopieën van eerder gepubliceerde aanvragen waarvoor de voorrang niet is ingeroepen of niet kan worden ingeroepen, door verweerder ‘hergebruikte aanvragen’ genoemd. De volledige inhoud van deze aanvragen behoort daarmee al tot de stand van de techniek en de conclusies van die aanvragen zijn dus niet nieuw. De toestroom van hergebruikte aanvragen liep begin 2022 op tot 50% van het aantal nationale aanvragen, wat verweerder voor praktische problemen stelde. Temeer omdat bij een groot deel van deze aanvragen tevens om spoedbehandeling of vervroegde inschrijving werd verzocht. Los van de onwenselijkheid om maandelijks tientallen octrooien te verlenen die evident niet nieuw zijn en daarmee het octrooiregister vervuilen, kon verweerder simpelweg een dergelijke grote toestroom aan (spoed)verzoeken niet aan, met als gevolg dat het gehele proces van octrooiverlening daaronder dreigde te bezwijken.
5. Uit onderzoek van verweerder, onder meer bestaande uit gesprekken met de Chinese octrooiverlenende instantie, het China National Intellectual Property Administration (hierna: CNIPA), bleek dat op dat moment in China een subsidieprogramma bestond om het aanvragen van buitenlandse octrooien te stimuleren. Op de subsidie kon aanspraak worden gemaakt door een verleend buitenlands octrooi te overleggen. Aangezien het in Nederland relatief goedkoop is om octrooi aan te vragen, de subsidies in China significant hoger zijn en iedere aanvraag tot een verleend octrooi leidt, is Nederland ideaal om hergebruikte aanvragen in te dienen. Voor Nederlandse octrooigemachtigden is het indienen van hergebruikte aanvragen lucratief, aangezien dit geen inhoudelijk werk meebrengt en dus weinig tijd kost.
6. Vanaf december 2021 heeft verweerder aandacht gevraagd voor het dreigende vastlopen van de octrooiverleningsprocedure door de hergebruikte aanvragen, onder andere in de circulaire van de Orde van Octrooigemachtigden en in het Bijblad bij De Industriële Eigendom. Ook heeft verweerder veelvuldig overleg gehad met de Orde van Octrooigemachtigden en is zij met de betrokken octrooigemachtigden in gesprek gegaan. Dit leidde weliswaar tot een daling van de instroom van hergebruikte aanvragen, maar niet tot een niveau dat de situatie voor verweerder behandelbaar maakte./
7. Na advies te hebben ingewonnen bij de Landsadvocaat, heeft verweerder ervoor gekozen vanaf 1 september 2022 hergebruikte aanvragen niet meer in behandeling te nemen op basis van het beginsel van misbruik van recht neergelegd in artikel 3:13 BW Pro [1] en van overeenkomstige toepassing verklaard buiten het vermogensrecht in artikel 3:15 BW Pro. In het Bijblad bij De Industriële Eigendom (nr. 3, juli 2022, jaargang 90) van 25 juli 2022 heeft verweerder de volgende aankondiging geplaatst – voor zover hier van belang –:
Derhalve heeft Octrooicentrum Nederland advies ingewonnen bij de Landsadvocaat over het leerstuk van het misbruik van recht in het Nederlands burgerlijk recht (artikel 3:13 juncto Pro 3:15 Burgerlijk Wetboek). Misbruik van recht is een term die inhoudt dat het recht gebruikt wordt op een manier waarop dat niet de bedoeling is. In het Burgerlijk Wetboek is misbruik van recht opgenomen als 'misbruik van bevoegdheid', wat op hetzelfde neerkomt.
Op basis van het advies van de Landsadvocaat is Octrooicentrum Nederland tot de conclusie gekomen dat in deze gevallen afwijzing van aanvragen op grond van misbruik van bevoegdheid in beginsel mogelijk is. Octrooicentrum Nederland gaat daarom aanvragen niet in behandeling nemen als geconstateerd wordt dat het een kopie, of slechts een letterlijke vertaling, betreft van een reeds eerder gepubliceerde aanvraag, waarbij de voorrang niet is ingeroepen of niet kan worden ingeroepen.
In lijn met het advies van de Landsadvocaat wordt na constatering dat een aanvraag in zijn geheel al eerder werd gepubliceerd, aan de aanvrager de mogelijkheid geboden hierop te reageren. Dit geeft de aanvrager de gelegenheid in te brengen dat er wel verschillen zijn, of aan te tonen dat er wel degelijk een belang gediend is dat strookt met de doelstellingen van de Rijksoctrooiwet 1995. Slaagt een aanvrager daar niet in, dan wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.
Dit geldt voor hergebruikte aanvragen die worden ingediend
op of vanaf 1 september 2022.Hoewel ook de hergebruikte aanvragen die voor 1 september 2022 zijn ingediend in beginsel wegens misbruik van recht buiten behandeling zouden kunnen blijven, kiest Octrooicentrum Nederland ervoor deze zoals tot op heden gebruikelijk wel in behandeling te nemen om reden van processuele rechtszekerheid.
Wat zijn de regels?
8. De relevante regels staan in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak.
Wat zijn de feiten in zaak SGR 24/6415 (octrooiaanvraag NL010)?
9. Op 6 juni 2023 heeft eiseres octrooiaanvraag NL010 ingediend bij verweerder en verzocht het onderzoek naar de stand van de techniek met spoed uit te voeren.
10. Op 19 juni 2023 heeft verweerder eiseres schriftelijk bericht dat in de octrooiaanvraag geen vormgebreken zijn vastgesteld en dat de aanvraag in behandeling wordt genomen.
11. Verweerder heeft vervolgens geconstateerd dat de ingediende aanvraag overeenkwam met de Chinese octrooiaanvraag CN112640681 van eiseres, die op 13 april 2021 werd gepubliceerd door het CNIPA. Verweerder heeft eiseres dit bij brief van 21 juli 2023 laten weten en – in lijn met de aankondiging zoals gepubliceerd in het Bijblad van 25 juli 2022 (zie hiervoor onder 8.) – bericht voornemens te zijn de aanvraag niet in behandeling te nemen wegens misbruik van recht.
12. Aanvrager heeft hierop bij brief van 16 augustus 2023 gereageerd door een gewijzigde set conclusies in te dienen, waarin conclusie 1 beperkt is door daarin het relatieve aandeel blauw licht op te nemen, en voorts nieuwe conclusies 6 t/m 8 zijn toegevoegd, welke gericht zijn op het kweken van Grieks basilicum.
13. Verweerder heeft in het besluit van 26 januari 2024 overwogen dat een eenmaal ingediende aanvraag die identiek is aan een eerder gepubliceerde aanvraag, niet meer verschillend kan worden gemaakt door na de indiening nog wijzigingen door te voeren, aangezien een wijziging overeenkomstig artikel 28, derde lid, ROW, gedekt moet worden door de inhoud van de oorspronkelijke aanvraag. Omdat verweerder de aanvraag identiek achtte aan CN112640681 en aanvrager geen belang had aangegeven dat met de aanvraag gemoeid kon zijn, concludeerde verweerder dat het aannemelijk was dat de aanvraag werd ingediend met het doel om een subsidie te ontvangen in het land van oorsprong. Verweerder heeft de octrooiaanvraag bij besluit van 26 januari 2024 niet in behandeling genomen wegens misbruik van recht op grond van artikel 3:13 in Pro samenhang met artikel 3:15 BW Pro.
14. Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiseres op 12 februari 2024 een bezwaarschrift ingediend. Op 5 maart 2024 heeft bij verweerder een hoorzitting plaatsgevonden, waarna verweerder op 30 mei 2024 de bestreden beslissing op bezwaar heeft genomen.
Wat zijn de feiten in zaak SGR 24/6533 (octrooiaanvraag NL012)?
15. Op 6 juni 2023 heeft eiseres octrooiaanvraag NL012 ingediend bij verweerder en verzocht het onderzoek naar de stand van de techniek met spoed uit te voeren.
16. Op 20 juni 2023 heeft verweerder eiseres schriftelijk bericht dat in de octrooiaanvraag geen vormgebreken zijn vastgesteld en dat de aanvraag in behandeling wordt genomen.
17. Verweerder heeft vervolgens geconstateerd dat de ingediende aanvraag overeenkwam met de Chinese octrooiaanvraag CN112602489 van eiseres, die op 6 april 2021 werd gepubliceerd door het CNIPA. Verweerder heeft eiseres dit bij brief van 21 juli 2023 laten weten en – in lijn met de aankondiging zoals gepubliceerd in het Bijblad van 25 juli 2022 (zie hiervoor onder 8.) – bericht voornemens te zijn de aanvraag niet in behandeling te nemen wegens misbruik van recht.
18. Eiseres heeft hierop bij brief van 16 augustus 2023 meegedeeld dat er geen sprake is van een letterlijke vertaling, omdat de conclusies van de aanvraag anders luiden dan die van CN112602489. In conclusie 1 van de aanvraag wordt een percentage van 11,86% geclaimd, terwijl dit percentage in de conclusies van CN112602489 1-2% is. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat conclusie 1 van de octrooiaanvraag een combinatie betreft van conclusies 1 t/m 7 van CN112602489.
19. Verweerder heeft octrooiaanvraag NL012 bij besluit van 29 september 2023 niet in behandeling werd genomen wegens misbruik van recht op grond van artikel 3:13 in Pro samenhang met artikel 3:15 BW Pro.
20. Tegen het besluit heeft eiseres op 10 november 2023 een bezwaarschrift ingediend.
21. In de bezwaarprocedure heeft OCNL in zijn brief van 19 december 2023 erop gewezen dat bij aanvraag CN112602489 na de eerste publicatie van die aanvraag, gewijzigde conclusies zijn ingediend. Daarbij zijn conclusies 1 t/m 7 samengevoegd tot conclusie 1, en is ook het percentage van 11,86% opgenomen in conclusie 1 in plaats van het percentage van 1-2%, waarmee deze conclusies volledig overeenstemmen met die van octrooiaanvraag NL012. Deze gewijzigde conclusies werden op 21 april 2023 ingediend bij het CNIPA en publiek toegankelijk via het online file inspection systeem van het CNIPA, zes weken voordat de aan die gewijzigde conclusies identieke Nederlandse aanvraag op 6 juni 2023 werd ingediend.
22. Op 5 maart 2024 heeft bij verweerder een hoorzitting plaatsgevonden, waarna verweerder op 30 mei 2024 de bestreden beslissing op bezwaar heeft genomen.
Wat vindt eiseres in beroep?
23. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de octrooiaanvragen had moeten verlenen en dat misbruik van recht geen geldige grondslag is om de octrooiaanvragen niet in behandeling te nemen. In artikel 4:5 Awb Pro is een limitatieve opsomming opgenomen op grond waarvan het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen; de ROW biedt evenmin een grondslag om een aanvraag niet in behandeling te nemen wegens misbruik van recht. Verweerder heeft geen beleidsvrijheid om aanvullende voorwaarden te stellen voor het in behandeling nemen van een aanvraag. Voor het beleid zoals aangekondigd in het Bijblad bestond dus geen bevoegdheid, zodat dit beleid tegenwettelijk is. Van misbruik van recht is overigens ook geen sprake. De aanvragen zijn niet identiek aan eerdere Chinese octrooien, van ‘hergebruikte aanvragen’ is geen sprake. De aanvragen waren bovendien reeds in behandeling genomen, zoals volgt uit de brieven van 19 en 20 juni 2023. Eerst ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat haar belang bij verlening ook bestaat in het opbouwen van een portefeuille van rechten, waarin naast vooronderzochte (Europese) octrooien ook wat zwakke(re) (registratie)octrooien kunnen zitten of ‘evident nietige’ octrooien, welke relevant kunnen zijn voor onderhandelingen of overnames.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
24. Op grond van artikel 3:13 BW Pro kan een bevoegdheid niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Hiervan is – gelet op het tweede lid van voornoemd artikel – onder meer sprake in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Uit bestendige jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de bestuursrechtelijke aard van een rechtsbetrekking zich niet verzet tegen toepassing van artikel 3:13 BW Pro, zodat ingevolge artikel 3:15 BW Pro het leerstuk van misbruik van recht ook in deze bestuursrechtelijke procedure kan worden toegepast. Het staat verweerder vrij hierover richtlijnen op te stellen. De rechter dient in voorkomend geval evenwel zelfstandig te beoordelen of daadwerkelijk sprake is van misbruik van recht en is daarbij niet gebonden aan deze richtlijnen.
25. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiseres met de octrooiaanvragen NL010 en NL012 het recht om octrooi aan te vragen heeft misbruikt en overweegt daartoe als volgt.
26. Zoals hiervoor onder 4. uiteengezet, wordt in Nederland voor een octrooiaanvraag een nieuwheidsonderzoek uitgevoerd, maar is het resultaat daarvan niet relevant voor de verlening. Met andere woorden, in Nederland wordt een octrooi altijd verkregen, ook als het onderzoek laat zien dat het octrooi niet nieuw (of inventief) is. Pas als een beroep op de nietigheid wordt gedaan in een (inbreuk)procedure bij de civiele rechter, zal de geldigheid van een Nederlands octrooi door de rechter worden beoordeeld. De wetgever heeft met dit systeem op de koop toegenomen dat octrooien kunnen worden verleend voor producten of werkwijzen die niet beschermingswaardig zijn.
27. Een aanvrager hoeft onder het Nederlandse systeem in beginsel geen belang bij zijn aanvraag te stellen. Dat laat onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een aanvraag met een bepaald doel is toegekend, namelijk het stimuleren van innovatie door uitvinders gedurende een beperkte periode een exclusief recht op hun technische uitvinding te geven. Dit exclusieve recht stelt de uitvinder in staat anderen te verbieden de uitvinding zonder toestemming commercieel te produceren, te verkopen of te gebruiken. In ruil hiervoor wordt de uitvinding publiek gemaakt, wat bijdraagt aan de algemene technische kennis, de stand van de techniek. Nu misbruik van recht zich onder meer kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen, kan het doel van een octrooiaanvraag relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. [2]
28. Een hergebruikte aanvraag draagt niet bij aan de stand van de techniek. Het leidt ook niet tot een handhaafbaar recht. Die mening zijn de gemachtigden van eiseres ook toegedaan, nu zij zelf, na feitelijke vragen van de rechtbank over de indiening van NL010 en NL012, ter zitting hebben verklaard dat de in het geding zijnde octrooiaanvragen op het moment van indiening, een “exacte kopie” waren van reeds eerder gepubliceerde Chinese aanvragen en daarmee evident niet nieuw zijn. [3] Door een dergelijke aanvraag in te dienen wordt onmiskenbaar een ander doel nagestreefd dan dat de wetgever voor ogen had met het octrooisysteem. Daarbij komt dat - niettegenstaande hetgeen hierover onder 26. en 27. is overwogen - de wetgever niet heeft kunnen voorzien dat een situatie als de onderhavige, waarbij de uitvoering van de wet door een dergelijk ongebruikelijk grote toestroom van evident ongeldige aanvragen door een buitenlands subsidieprogramma volledig spaak loopt, zich zou kunnen voordoen.
29. Ten aanzien van het belang van eiseres om de aanvraag te doen overweegt de rechtbank dat aannemelijk is geworden dat de aanvragen zijn gedaan met het enkele oogmerk om aanspraak te kunnen maken op een in China te ontvangen subsidie. Eiseres heeft in de bezwaarprocedure betoogd dat zij geen belang hoeft te stellen bij haar octrooiaanvraag. Het subsidievermoeden heeft zij niet weerlegd. Eerst ter zitting heeft zij desgevraagd (haar primaire standpunt is dat zij bij een aanvraag geen belang hoeft te stellen) en schoorvoetend als (economisch) belang naar voren gebracht dat een ‘paraplu’ van (ook ongeldige) rechten commercieel interessant is omdat die relevant kan zijn voor onderhandelingen, overnames etc. Aan dit belang, dat nu pas voor het voetlicht wordt gebracht, kent de rechtbank echter bijzonder weinig gewicht toe.
30. De belangen van verweerder zijn daarentegen groot. Het is duidelijk dat de praktijk van hergebruikte aanvragen tot een oneigenlijke belasting van verweerder leidt. Verweerder is verantwoordelijk voor een ordentelijke uitvoering van de ROW en heeft aldus een rechtens te respecteren belang dat er geen zand in de machine wordt gestrooid. Op het hoogtepunt eind 2021/begin 2022 liep het aantal hergebruikte aanvragen op tot meer dan 50% van het totaal aantal nationale aanvragen, een aantal waarop het bureau van verweerder niet is ingericht en waaronder het gehele proces van octrooiverlening dreigde te bezwijken. Omdat een groot deel van deze aanvragen tevens om spoedbehandeling of vervroegde inschrijving verzocht, nam deze druk nog eens toe. Daarmee werden ook de belangen van de overige gebruikers geschaad, terwijl verweerder als bestuursorgaan gelijke gevallen gelijk dient te behandelen.
31. In het licht van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het belang van eiseres bij indiening van haar octrooiaanvragen niet opweegt tegen het belang van verweerder bij een goed functionerend octrooiverleningssysteem. Dat eiseres slechts deze twee hergebruikte aanvragen heeft ingediend nadat de toestroom al tot voor verweerder behapbare hoeveelheden was terugdrongen en overigens ook ‘reguliere’ aanvragen indient en (vooronderzochte) Europese octrooien in haar portefeuille heeft, maakt dit gelet op het navolgende niet anders.
32. Dat het aantal hergebruikte aanvragen ten tijde van het aanvragen van NL010 en NL012 onder controle leek te zijn (hoewel de instroom niet is gestopt en het register daardoor vervuilt raakt), neemt niet weg dat er een risico bestaat dat de situatie zich opnieuw zal voordoen. Dit zou kunnen gebeuren als zou worden geoordeeld dat verweerder ook hergebruikte aanvragen dient te behandelen als ware zij reguliere octrooiaanvragen en bijgevolg de aanvragen van eiseres ten onrechte buiten behandeling zou hebben gesteld. Verweerder heeft, anders gezegd, nog steeds een belang bij het voorkomen van een dergelijke situatie. Verweerder heeft daar zelf ook de nodige stappen in gezet. Zo heeft verweerder gesprekken gevoerd met de Chinese verlenende instantie over het ongewenste gevolg van het subsidieprogramma, maar ook met de Orde van Octrooigemachtigden en de Nederlandse octrooigemachtigden die bij het indienen van hergebruikte aanvragen betrokken waren. De meeste octrooigemachtigden hebben aan de oproep van verweerder het indienen van hergebruikte aanvragen te staken ook gehoor gegeven. Ter zitting bleek dat van de 60 notificaties die verweerder na 1 september 2022 heeft verzonden, er uiteindelijk circa 50 buiten behandelingstellingen hebben plaatsgevonden waartegen niet is opgekomen. De rechtbank overweegt dat indien verweerder gedwongen zou worden toch deze aanvragen in behandeling te nemen, dit opnieuw zou kunnen leiden tot een stortvloed van dergelijke aanvragen, met alle gevolgen van dien. [4]
33. Eiseres heeft nog gewezen op de brieven van 19 en 20 juni 2023 (zie hiervoor onder 11. en 17.) waarin is meegedeeld dat de aanvragen in behandeling worden genomen. Gelet hierop kan verweerder daarna de aanvragen niet alsnog buiten behandeling stellen, aldus eiseres. De brieven waarop eiseres doelt, zijn op zichzelf niet een op rechtsgevolg gericht besluit waarmee vaststaat dat de aanvragen worden behandeld. Deze moet veeleer worden gezien als een vorm van ontvangstbevestiging, die eiseres informeert over de verdere gang van zaken. Voor zover eiseres hiermee een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat deze brief niet het vertrouwen rechtvaardigt dat indien – na het nalopen van de formele vereisten en het onderzoeken van de aanvraag – nog feiten en omstandigheden aan het licht komen die leiden tot de conclusie dat sprake is van misbruik van recht, de aanvraag niet langer buiten behandeling zou kunnen worden gesteld. Indien, zoals hier, verweerder na het verrichten van onderzoek tot de slotsom komt dat eiseres door het doen van de aanvragen misbruik van recht maakt, staat het verweerder vrij de aanvragen (alsnog) buiten behandeling te stellen.
34. Dat verweerder, zoals eiseres verder betoogd, algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou hebben geschonden, met name het gelijkheidsbeginsel, wordt evenzeer verworpen. Dit beroep slaagt alleen als gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Het moet dan wel gaan om vergelijkbaarheid op relevante punten. Gesteld noch gebleken is dat bij andere gevallen die op relevante punten hetzelfde zijn als dat van eiseres geen misbruik van recht is aangenomen. Eiseres werd niet anders behandeld dan andere aanvragers. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, was de enorme toename van het aantal hergebruikte aanvragen vooral afkomstig van aanvragen uit Australië, Taiwan en (90-95% van alle aanvragen) China. Bij iedere aanvraag waarover twijfel bestaat, wordt een extra check gedaan door een deel van de beschrijving van de aanvraag (het abstract) door een octrooidatabank (Espacenet) te halen, zodat snel kan worden gezien of sprake is van een hergebruikte aanvraag. Dat de herkomstlanden soms als trigger zullen gelden voor het doen van die extra check, naast, zoals verweerder ter zitting heeft verklaard, het feit dat geen prioriteit wordt ingeroepen en ongefundeerd verzocht wordt om een spoedbehandeling, of de persoon van de octrooigemachtigde (slechts een beperkt aantal gemachtigden faciliteerden het indienen van hergebruikte aanvragen), levert nog geen schending van het gelijkheidsbeginsel op. Het ging verweerder er uiteindelijk om eenvoudig vast te stellen of de aanvragen een 1-op-1-kopie waren van een reeds eerder gepubliceerde aanvraag. Indien de aanvragen van eiseres de check zouden hebben doorstaan, met andere woorden de aanvragen geen 1-op-1-kopie betroffen, maar wel anderszins nieuwheid zouden ontberen, waren zij, net als de door eiseres in haar pleitnota genoemde voorbeelden, door de verlening heen gekomen. Van discriminatie of onrechtmatige
profilingis dan ook geen sprake.
35. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat sprake is van een dermate onevenredigheid tussen het belang van eiseres bij de uitoefening van haar bevoegdheid om octrooiaanvragen in te dienen en het belang van verweerder bij een goed functionerend octrooiverleningssysteem dat door die uitoefening wordt geschaad, dat eiseres naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Door wel de octrooiaanvragen in te dienen, heeft eiseres misbruik van haar bevoegdheid gemaakt. Bij die stand van zaken heeft verweerder de aanvragen op goede gronden buiten behandeling gesteld. [5] De ROW noch artikel 4:5 Awb Pro verzetten zich hiertegen.

Conclusie en gevolgen

36. De beroepen zijn ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Th. van Walderveen, voorzitter, en mr. C.I.H. Kerstens-Fockens en mr. H.D. Overbeek, leden, in aanwezigheid van de griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
Griffier
Voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 4:5
1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of
b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of
c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
2. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen.
3. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden omvangrijk of ingewikkeld is en een samenvatting voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een samenvatting aan te vullen.
4. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Rijksoctrooiwet 1995 (ROW)
Artikel 24
1. Een aanvrage om octrooi moet bij het bureau worden ingediend en moet:
a. de naam en het adres van de aanvrager vermelden;
b. de naam en de woonplaats vermelden van degene, die de uitvinding heeft gedaan, tenzij deze blijkens een bij de aanvrage gevoegde schriftelijke verklaring geen prijs stelt op vermelding als uitvinder in het octrooi;
c. een verzoek om verlening van een octrooi bevatten;
d. een korte aanduiding bevatten van datgene, waarop de uitvinding betrekking heeft;
e. vergezeld zijn van een beschrijving van de uitvinding, die aan het slot in één of meer conclusies een omschrijving geeft van datgene, waarvoor bescherming wordt verlangd;
f. vergezeld zijn van een uittreksel van de beschrijving.
2. Het uittreksel is alleen bedoeld als technische informatie; het kan in het bijzonder niet dienen voor de uitlegging van de omvang van de gevraagde bescherming en voor de toepassing van de artikelen 4, derde lid, en 75, tweede lid.
3. De aanvrage en de overige bescheiden zijn hetzij in het Nederlands hetzij in het Engels gesteld, met uitzondering van de conclusies die in het Nederlands zijn gesteld.
4. De aanvrage, de beschrijving van de uitvinding, de tekeningen en het uittreksel moeten voorts voldoen aan de overige, bij ministeriële regeling te stellen, voorschriften.
5. Bij de aanvrage dient een bewijsstuk te worden overgelegd waaruit blijkt dat aan het bureau een bedrag is betaald overeenkomstig een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld tarief.
Artikel 28
De aanvrager kan zijn reeds ingediende aanvrage splitsen door voor een gedeelte van de inhoud daarvan een afzonderlijke aanvrage in te dienen. Deze aanvrage wordt, behalve voor de toepassing van de artikelen 30, eerste lid, 31, derde lid, en 32, tweede lid, aangemerkt te zijn ingediend op de dag van de oorspronkelijke aanvrage.
De aanvrager kan de beschrijving, conclusies en tekeningen van zijn reeds ingediende aanvrage wijzigen.
Het onderwerp van de afgesplitste of de gewijzigde aanvrage moet gedekt worden door de inhoud van de oorspronkelijke aanvrage.
De splitsing of wijziging kan geschieden tot het tijdstip waarop de octrooiaanvrage ingevolge artikel 31, eerste of tweede lid, in het octrooiregister moet worden ingeschreven, met dien verstande dat voor de splitsing of wijziging een termijn van tenminste twee maanden na de verzending van de in artikel 34, vierde lid, bedoelde mededeling openstaat. Op verzoek van de aanvrager kan het bureau laatstgenoemde termijn verlengen tot vier maanden na de verzending van de in artikel 34, vierde lid, bedoelde mededeling.
Artikel 30
Indien niet is voldaan aan het bij en krachtens artikel 24 bepaalde Pro, geeft het bureau daarvan binnen een maand na de in artikel 29, eerste lid, bedoelde datum van indiening of, in geval van afsplitsing van de aanvrage, binnen een maand na de datum van indiening van de afgesplitste aanvrage, schriftelijk kennis aan de aanvrager, onder opgave van de voorschriften waaraan niet is voldaan.
Indien de gebreken niet binnen drie maanden na verzending van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving zijn hersteld of indien de aanvrager voordien heeft medegedeeld niet tot herstel te willen overgaan, besluit het bureau de aanvrage niet te behandelen. Het bureau maakt zijn beschikking zo spoedig mogelijk aan de aanvrager bekend.
Artikel 31
1. Het bureau schrijft een octrooiaanvrage in het octrooiregister in zo spoedig mogelijk na verloop van achttien maanden:
a. na de in artikel 29, eerste lid, bedoelde datum van indiening of,
b. indien het een aanvrage betreft waarvoor een beroep is gedaan op een of meer rechten van voorrang, na de eerste datum van voorrang.
2. Op schriftelijk verzoek van de aanvrager vindt de inschrijving op een eerder tijdstip plaats.
3. De inschrijving van een afgesplitste aanvrage als bedoeld in artikel 28 geschiedt Pro zo spoedig mogelijk na de indiening daarvan, doch niet eerder dan de inschrijving van de oorspronkelijke aanvrage.
Artikel 32
1. De aanvrager verzoekt het bureau binnen uiterlijk dertien maanden na:
a. de in artikel 29, eerste lid, bedoelde datum van indiening of,
b. indien het een aanvrage betreft waarvoor een beroep is gedaan op een of meer rechten van voorrang, de eerste datum van voorrang, om een aan de verlening van het octrooi voorafgaand onderzoek naar de stand van de techniek met betrekking tot het onderwerp van de octrooiaanvrage.
Met het verzoek wordt aan het bureau een bedrag overeenkomstig een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld tarief betaald. Het verzoek wordt niet in behandeling genomen tot dit bedrag door het bureau is ontvangen.
2. Indien het een afgesplitste aanvrage betreft als bedoeld in artikel 28, wordt het in het eerste lid bedoeld verzoek gedaan binnen dertien maanden na de in het eerste lid bedoelde datum van indiening of voorrang van de oorspronkelijke aanvrage of, indien dat later is, binnen twee maanden na de indiening van de afgesplitste aanvrage.
3. Indien de aanvrager niet tijdig om het in het eerste lid genoemde onderzoek heeft verzocht of het in het eerste lid bedoelde bedrag niet door het bureau is ontvangen, besluit het bureau de aanvrage niet te behandelen. Het bureau maakt zijn beschikking zo spoedig mogelijk aan de aanvrager bekend.
Artikel 35
Indien het bureau van oordeel is dat het onderzoek naar de stand van de techniek wegens onduidelijkheid van de aanvrage niet uitvoerbaar is, geeft het bureau daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk en met redenen omkleed kennis aan de aanvrager.
Indien de gebreken niet binnen twee maanden na verzending van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving zijn hersteld of indien de aanvrager voordien heeft meegedeeld niet tot herstel te willen overgaan, besluit het bureau de aanvrage niet te behandelen. Het bureau maakt zijn beschikking zo spoedig mogelijk aan de aanvrager bekend.
Artikel 36
Het bureau verleent het octrooi zodra de octrooiaanvrage in het octrooiregister is ingeschreven, doch niet eerder dan twee maanden of, indien artikel 28, vierde lid, tweede volzin, is toegepast, vier maanden na verzending van de in artikel 34, vierde lid, bedoelde mededeling. Het doet hiervan aantekening in het octrooiregister. Op verzoek van de aanvrager verleent het bureau het octrooi op een eerder tijdstip nadat het resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek als bedoeld in artikel 34, vierde lid, is verzonden.
De octrooiverlening geschiedt door het plaatsen van een gedateerde aantekening op de aanvrage in de vorm waarin deze ingediend dan wel overeenkomstig de artikelen 28 of 30, tweede lid, is gewijzigd.
Het bureau geeft de bij de aanvrage behorende beschrijving en tekeningen bij wege van octrooischrift uit en verstrekt hiervan een gewaarmerkt afschrift aan de aanvrager.
Indien toepassing is gegeven aan artikel 34, derde lid, heeft het octrooi uitsluitend betrekking op die uitvinding of groep van uitvindingen als bedoeld in artikel 27, die als eerste in de conclusies wordt genoemd.
Het resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek wordt bij het octrooischrift gevoegd.
Een ingevolge dit artikel verleend octrooi blijft, behoudens eerder verval, afstand of vernietiging door de rechter, van kracht tot het verstrijken van een termijn van twintig jaren, te rekenen vanaf de in artikel 29, eerste lid , bedoelde datum van indiening.
Artikel 48
(…)
Voor de omgezette aanvrage moet het in artikel 24, vijfde lid, bedoelde bewijs van betaling worden overgelegd binnen een termijn van drie maanden na de in het eerste lid bedoelde datum van binnenkomst. Indien de Europese octrooiaanvrage niet in het Nederlands is ingediend moet binnen dezelfde termijn een vertaling in het Nederlands van de oorspronkelijke stukken van die aanvrage worden overgelegd. De vertaling maakt deel uit van de omgezette aanvrage; zij moet op verzoek van het bureau binnen een door dat bureau te stellen termijn worden gewaarmerkt. Indien niet tijdig is voldaan aan het in dit lid bepaalde, stelt het bureau de aanvrager eenmaal in de gelegenheid om binnen een door het bureau te stellen termijn zijn verzuim te herstellen. Indien de aanvrager zijn verzuim niet tijdig heeft hersteld, besluit het bureau de aanvrage niet te behandelen. Het bureau maakt zijn beschikking zo spoedig mogelijk aan de aanvrager bekend.
(…)
Burgerlijk Wetboek (BW)
Artikel 3:13 BW Pro
Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.
Artikel 3:15 BW Pro
De artikelen 11-14 vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

Voetnoten

1.Burgerlijk Wetboek
2.Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3985, r.o. 3.
3.Nadat verweerder ten aanzien van NL010 en NL012 een notificatiebrief aan eiseres had gestuurd, heeft de octrooigemachtigde van eiseres nog geprobeerd de aanvragen te wijzigen. Voor verweerder maken die wijzigingen (die octrooirechtelijk zouden leiden tot geldigheidsbezwaren ten aanzien van toegevoegde materie) niet dat daarna geen sprake meer zou zijn van een hergebruikte aanvraag. Verweerder heeft in het verweerschrift opgenomen dat de octrooigemachtigde deze exercitie op de hoorzitting als een ‘trucje’ bestempelde om de notificatie te omzeilen.
4.Overigens is er een wetsvoorstel aanhangig (wijziging van de Rijksoctrooiwet 1995 in verband met de modernisering van het octrooisysteem) waarin het sinds 1995 gebruikte registratiesysteem wordt verlaten en naar verwachting vanaf 2028 weer overgegaan zal worden op een inhoudelijke toetsing van aanvragen op de verleningscriteria van octrooieerbaarheid, zoals onder de Rijksoctrooiwet 1910 het geval was.
5.Dat een aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld, indien sprake is van misbruik van recht, volgt onder meer uit de uitspraak van de ABRS van 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2190, r.o. 5.1.