ECLI:NL:RBDHA:2026:3272

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
NL26.6346
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 8:42 Algemene wet bestuursrechtArt. 28, derde lid, DublinverordeningArt. 5, onder a) en b), richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiser is op 4 februari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 11 februari 2026.

Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld bij zijn overdracht aan Frankrijk en dat de informatieplicht niet was nageleefd, omdat hij pas op de achtste werkdag na oplegging van de maatregel zou worden overgedragen. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, gelet op de planning van de vlucht en de administratieve vereisten, en dat de informatieplicht was nagekomen door het overleggen van een aanbiedingsbrief.

De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin een inbewaringstelling van negen dagen als voldoende voortvarend werd beschouwd. Ook ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel, waaronder het beginsel van non-refoulement en het belang van het familie- en gezinsleven, leverde geen onrechtmatigheid op.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen wegens voldoende voortvarendheid en correcte naleving van de informatieplicht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6346

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G. Habtab. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Voortvarendheid en informatieplicht
1. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat verweerder niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Eiser legt aan dit standpunt ten grondslag dat het hier ging om een geplande inbewaringstelling en dat hij pas op de achtste werkdag na het opleggen van de bewaringsmaatregel wordt overgedragen aan Frankrijk. Volgens eiser had verweerder al voor de zitting moeten motiveren waarom hij niet eerder kon worden overgedragen nu er dagelijks vluchten vanuit Nederland naar Frankrijk gaan en nu eiser al voor de zitting om meer uitleg heeft gevraagd. [1] Omdat verweerder heeft nagelaten om voor de zitting uit te leggen waarom eiser niet eerder kon worden overgedragen, heeft verweerder in strijd met artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld.
2. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend aan eisers overdracht heeft gewerkt of dat verweerder in strijd met artikel 8:42 van Pro de Awb heeft gehandeld. De rechtbank benadrukt daarbij dat zij dient te beoordelen of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser, en niet of verweerder (nog) voortvarender kan handelen. De inbewaringstelling van Dublinclaimanten moet zo kort mogelijk duren en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht is uitgevoerd (artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening). Dit moet worden getoetst aan de hand van de concrete vereisten van de overdrachtsprocedure in elk afzonderlijk geval.
3. Eiser is op 4 februari 2026 in bewaring gesteld, op 5 februari 2026 is een vlucht aangevraagd en op 6 februari is aan eiser medegedeeld dat zijn vlucht gepland stond op 13 februari 2026. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende voortvarend gehandeld. Voor zover het, zoals eiser stelt, mogelijk was om hem eerder over te dragen omdat er meerdere vluchten gaan en omdat Frankrijk vereist dat de overdracht slechts vijf werkdagen van tevoren aan hen wordt medegedeeld, doet daar niet aan af. De rechtbank verwijst hierbij ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:727) waarin de Afdeling een inbewaringstelling van negen dagen voor de overdracht ook voldoende voortvarend heeft geacht.
4. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in strijd met artikel 8:42 van Pro de Awb heeft gehandeld of dat verweerder gehouden was om voorafgaand aan de zitting te motiveren waarom er niet voortvarender is gehandeld. De rechtbank wijst er in dit kader verder op dat artikel 8:42 van Pro de Awb vereist dat verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het dossier toevoegt. In het kader van de voortvarendheid heeft verweerder door middel van het overleggen van een aanbiedingsbrief hier aan voldaan. De rechtbank beschikt over voldoende informatie en stukken om de voortvarendheid te toetsten. Dat verweerder niet heeft gereageerd op het verzoek van eiser om meer informatie te verschaffen doet hier niet aan af. De rechtbank acht deze informatie in deze zaak ook niet nodig. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiseres of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Eiser verwijst hierbij in het bijzonder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:727.