Eiser is op 4 februari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 11 februari 2026.
Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld bij zijn overdracht aan Frankrijk en dat de informatieplicht niet was nageleefd, omdat hij pas op de achtste werkdag na oplegging van de maatregel zou worden overgedragen. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, gelet op de planning van de vlucht en de administratieve vereisten, en dat de informatieplicht was nagekomen door het overleggen van een aanbiedingsbrief.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin een inbewaringstelling van negen dagen als voldoende voortvarend werd beschouwd. Ook ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel, waaronder het beginsel van non-refoulement en het belang van het familie- en gezinsleven, leverde geen onrechtmatigheid op.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.