ECLI:NL:RBDHA:2026:3267

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
09-091141-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met mes in rug en buik met voorwaardelijke straf

Op 2 april 2023 stak de verdachte het slachtoffer meerdere malen met een mes in de rug en buik, wat leidde tot een klaplong en ziekenhuisopname van vier nachten. De rechtbank stelde vast dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het dodelijk letsel, mede gelet op zijn uitlatingen en het gevaarlijke karakter van het messteken.

De verdachte heeft een neurobiologische ontwikkelingsstoornis en een lichte stoornis in cannabisgebruik, wat de gedragskeuzes beïnvloedde en leidde tot een vermindering van de toerekening. De rechtbank hield rekening met eerdere veroordelingen en het recidiverisico. De redelijke termijn was overschreden, wat resulteerde in een strafvermindering van één maand.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 35 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, contactverbod en middelenverbod. De voorlopige hechtenis blijft geschorst.

De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding van €10.987,- toegewezen, bestaande uit materiële en immateriële schade, inclusief wettelijke rente. De verdachte is veroordeeld tot betaling aan zowel de benadeelde partij als de Staat, met gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 35 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en betaling van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/091141-23
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1999 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 5 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C. Vermeulen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.G. Jagesar, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 april 2023 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] , opzettelijk van het leven te beroven,
met een mes en/of puntig voorwerp één of meerdere malen in de rug en/of buik,
althans lichaam te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 april 2023 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes en/of puntig voorwerp één of meerdere malen in de rug en/of buik,
althans lichaam, te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 april 2023 te Zoetermeer [aangever] heeft mishandeld door met een mes en/of puntig voorwerp één of meerdere malen in de buik en/of rug, althans lichaam, te steken.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over het primair tenlastegelegde en heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde en heeft zich met betrekking tot het meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL 500-2023097817, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 169).
1. De verklaring van de verdachte
,afgelegd op de terechtzitting van 5 februari 2026, voor zover inhoudende:
Ik had twee keer in zijn rug gestoken. Kennelijk ook een keer in zijn buik, maar dat kan ik mij niet meer herinneren. Dat hoorde ik van de recherche. Ik heb het mes getrokken. Ik heb stekende bewegingen gemaakt naar de rug van de heer [aangever] .
2. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring, opgemaakt op 5 april 2023, voor zover inhoudende (p. 152-154):
Medische informatie betreffende:[aangever]
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht:2 april 2023
Uitwendig waargenomen letsel:3x steekwond links onder schouderblad, 1x rechts onder schouderblad, 1x rechts boven in de buik.
Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel ed)Thoraxdrain geplaatst.
Geschatte duur van de genezing:4-6 weken
3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , opgemaakt op 2 april 2023, voor zover inhoudende (p. 67-68):
Op 2 april 2023 omstreeks 00:00 had ik afgesproken met [naam] , de bewoner van [adres 2] . Ik zag dat [verdachte] een mes vasthield, ik zag dat het mes een rood handvat had. Ik zag dat [verdachte] een stekende beweging maakte naar de rug van [aangever] . Ik zag dat de punt van het mes in de rug van [aangever] kwam.
4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , opgemaakt op 2 april 2023, voor zover inhoudende (p. 56-58):
Ik zag dat [verdachte] met het mes in de rondte zwaaide. Ik zag en ik hoorde dat [verdachte] zei: "Ik ga je doodmaken" Ik zag dat [verdachte] in de richting van [aangever] keek, terwijl hij dat zei. Ik zag dat [verdachte] en [aangever] met elkaar in gevecht waren.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte het mes met de punt tegen de rug van het slachtoffer heeft aangehouden en dat de verdachte alleen richting de rug van het slachtoffer stekende bewegingen heeft gemaakt. Het is, aldus de raadsvrouw, niet uitgesloten dat de steek in de buik een gevolg is van een worsteling waarbij de verdachte per ongeluk en zonder enig intentie in de buik heeft gestoken. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood, omdat niet kan worden vastgesteld met welke kracht is gestoken, hoe diep de steekwonden zijn en of er vitale organen in de nabijheid van de steekwond waren. Daarnaast zou uit de geneeskundige verklaringen onvoldoende blijken dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte dusdanig onder invloed was van alcohol en cocaïne, dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood bewust heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt dat het strafdossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat de verdachte vol opzet had op de dood van het slachtoffer. De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op dit gevolg.
De rechtbank stelt op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat de verdachte een mes heeft getrokken en het slachtoffer driemaal heeft gestoken in het bovenlichaam, waarvan eenmaal bovenin de buik. Als gevolg van de messteken heeft het slachtoffer een klaplong opgelopen en vier nachten in het ziekenhuis moeten verblijven.
Door met een mes in de romp en meer in het bijzonder bovenin de buik te steken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een reële, niet onwaarschijnlijke, mogelijkheid dat het mes vitale organen van het slachtoffer zou raken, waardoor de dood zou kunnen intreden. Dit oordeel is gebaseerd op algemene ervaringsregels, zodat ook verdachte wetenschap moet hebben gehad van deze aanmerkelijke kans. Dat deze kans niet expliciet is opgenomen in een medische- of geneeskundige verklaring, doet aan dit oordeel niets af.
Het handelen van de verdachte, waarbij hij het mes dat hij kennelijk altijd bij zich droeg, heeft gepakt om naar eigen zeggen een einde te maken aan vervelende opmerkingen die naar hem zouden worden gemaakt, was naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van (potentieel dodelijk) letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood willens en wetens heeft aanvaard. Ook de opmerking van de verdachte dat hij het slachtoffer ging doodmaken, wijst op de aanvaarding van de aanmerkelijke kans op de dood. Dat de verdachte onder invloed was van verdovende middelen, doet daaraan niets af. Hij heeft zichzelf immers in die toestand gebracht.
Ook als aangenomen zou worden dat de verdachte tijdens de worsteling met het slachtoffer onbedoeld in de buik van het slachtoffer zou hebben gestoken, is het voorwaardelijk opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer gegeven. Het behoeft geen toelichting dat het worstelen met een mes gevaarlijk is. Uit deze handelwijze volgt dan ook dat de verdachte onverschillig stond tegenover de potentiële gevaarlijke gevolgen van een dergelijke worsteling.
De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met de messteken bij het slachtoffer dodelijk letsel zou toebrengen. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 2 april 2023 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] , opzettelijk van het leven te beroven,
met een mes meerdere malen in de rug en buik
heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een verdere gevangenisstraf niet geïndiceerd is en heeft een gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest bepleit met daarnaast een geheel voorwaardelijke taakstraf onder bijzondere voorwaarden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag door met een mes te steken in het bovenlichaam van het slachtoffer. Deze steekpartij vond plaats bij gezamenlijke vrienden thuis en kwam vrijwel uit het niets. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het algehele gevoel van veiligheid van het slachtoffer. Dat hij geen levensbedreigend letsel heeft opgelopen, is een gelukkige omstandigheid die niet het gevolg is van het handelen van de verdachte zelf. Uit de slachtofferverklaring van het slachtoffer volgt dat de gedragingen van de verdachte zowel geestelijk als anderszins diepe sporen hebben achtergelaten in het leven van het slachtoffer.
Aan dit alles kent de rechtbank bij haar strafoplegging zwaarwegende betekenis toe.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 januari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij eerder is veroordeeld voor bezit van een steekwapen en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia rapportage van het NIFP over de verdachte van 18 juli 2023. Uit dit rapport volgt dat bij de verdachte sprake is van een neurobiologische ontwikkelingsstoornis (in DSM-5 termen te classificeren als een autismespectrumstoornis) en dat er tevens is een lichte stoornis is in cannabisgebruik en – in classificerende zin – antisociaal gedrag bij een volwassene. Deze omstandigheden speelden ook een rol tijdens het plegen van het bewezen verklaarde feit en hebben de gedragskeuzes beïnvloed, waardoor de psycholoog adviseert om het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Uit het rapport volgt een inschatting van een ‘matig’ recidiverisico op gewelddadig gedrag. Ter voorkoming van nieuw delictgedrag wordt strikte monitoring door een reclasseringswerker/toezichthouder met kennis van jongvolwassenen (bij voorkeur ook kennis van ASS, daarbij ondersteund door de forensisch ambulante zorg en/of gespecialiseerde zorg zoals geboden door [instelling 1] of [instelling 2] ) aanbevolen. Ook zou de verdachte kunnen profiteren van een emotie-regulatietraining gericht op individuen met een autismespectrum stoornis vanuit een specialistische forensisch-psychiatrische polikliniek. Tot slot wordt een contact- en
gebiedsverbod, urinecontrole voor middelengebruik en verplichte dagbesteding in het kader van risicomanagement op de korte termijn geadviseerd. Deze behandeling en dit reclasseringstoezicht kunnen naar de mening van de psycholoog plaatsvinden binnen het kader van de bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van vier reclasseringsrapportages over de verdachte, opgesteld op 18 juli 2023, 27 oktober 2023, 26 mei 2025 en 28 augustus 2025. Uit het rapport van 26 mei 2025 volgt dat de reclassering zich zorgen maakt over het middelengebruik en psychosociaal functioneren van de verdachte. Ook leest de rechtbank in dit rapport dat de verdachte zich goed houdt aan de schorsingsvoorwaarden, met uitzondering van het verbod om cannabis te gebruiken. De reclassering schat het recidiverisico in op gemiddeld. De reclassering acht de interventies die het NIFP adviseert enigszins geïndiceerd en adviseert bij veroordeling van de verdachte om aan hem de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: meldplicht bij de reclassering, een contactverbod, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole. Het voortzetten van een middelenverbod is volgens het reclasseringsrapport van 27 oktober 2023 niet passend, omdat de verdachte kampt een verslaving en een verbod op (zo begrijpt de rechtbank) met name het gebruik van cannabis niet haalbaar is.
De rechtbank volgt de conclusies uit de Pro Justitia rapportage voor wat betreft de bij de verdachte vastgestelde neurobiologische ontwikkelingsstoornis, de stoornis in het antisociaal gedrag en de stoornis in het middelengebruik. Ook zal de rechtbank, overeenkomstig het advies in de Pro Justitia rapportage, het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank is het met de verdediging eens dat de redelijke termijn voor strafvervolging is overschreden. De rechtbank zal deze overschrijding verdisconteren in de straf doordat de hierna te melden gevangenisstraf is verlaagd met één maand ten opzichte van de straf die zou zijn opgelegd zonder overschrijding van de redelijke termijn.
De strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen, meer in het bijzonder de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Daarmee vindt enerzijds vergelding plaats voor de pijn de verdachte heeft aangericht en wordt anderzijds ook naar de maatschappij de ernst van het feit benadrukt. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd.
De rechtbank acht, alles afwegend, een gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank een gevangenisstraf van 35 maanden opleggen.
De rechtbank zal een deel van die straf, namelijk 12 maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden alsmede een verbod op het gebruik van cocaïne en alcohol verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Omdat er geen aanwijzingen zijn dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan, zal de rechtbank niet bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
In deze strafzaak is de voorlopige hechtenis van de verdachte momenteel voor onbepaalde tijd geschorst. Nu de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden veroordeeld, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de huidige omstandigheden aanleiding geven tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat een vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt opgelegd van ten minste even lange duur als de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, geen toereikende grond vormt voor opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Die beslissing moet berusten op een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Zij moet een op de voorliggende zaak toegesneden motivering bevatten waaruit blijkt dat de rechter de genoemde belangenafweging heeft gemaakt en dat in het concrete geval (alsnog) voortzetting van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis noodzakelijk is. In die belangenafweging kan wel worden betrokken dat de verdachte wordt veroordeeld en dat daarbij een straf of maatregel van een zekere duur wordt opgelegd, in die zin dat daarmee een groter gewicht toekomt aan de desbetreffende grond(en) voor de voorlopige hechtenis. Ook kan daarin een rol spelen in hoeverre de verdachte zich heeft gehouden aan de specifieke schorsingsvoorwaarden en wat het effect daarvan is geweest (HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987).
De rechtbank zal de schorsing van de voorlopige hechtenis niet opheffen maar de schorsing laten voortduren onder de gestelde schorsingsvoorwaarden. Het persoonlijk belang van de verdachte om in vrijheid de onherroepelijkheid van zijn veroordeling af te wachten weegt zwaarder dan het strafvorderlijk belang, mede gelet op de reeds ingezette interventies om het recidiverisico te beperken.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

De heer [aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.537,-. Dit bedrag bestaat uit € 537,- aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over de immateriële schade vanaf 2 april 2023. Ter onderbouwing van de hoogte van de immateriële schade is verwezen naar de Rotterdamse schaal, te weten de categorieën 4.1 ‘borstletsel’ onder d en 4.9 ‘letsel aan de darmen’ onder d. Voorts dient daar bovenop een bedrag toegekend te worden vanwege de opgelopen posttraumatische stressstoornis. Ter zitting is namens de benadeelde partij verduidelijkt dat aangesloten is bij borstletsel vanwege de drain die geplaatst is door de klaplong en dat aangesloten is bij letsel aan de darmen vanwege de messteek in de buik.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de materiële schade zoals gevorderd, tot toewijzing van de immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente en tot afwijzing van het overige. Daarnaast heeft zij gerekwireerd tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de materiële schade. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd dat deze schade mogelijk al vergoed is door Menzis. Volgens de verdediging is de schade niet eenvoudig vast te stellen en is de vordering een onevenredige belasting van het strafproces en dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering. Voor zover de benadeelde partij wel ontvankelijk is in zijn vordering, betwist de verdediging de hoogte van de gevorderde schade. De genoemde categorieën van de Rotterdamse schaal zijn hier niet van toepassing. Een immateriële schadevergoeding van maximaal € 2.000,- zou meer in lijn zijn met de rechtspraak in vergelijkbare gevallen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Het bewezenverklaarde feit is aan te merken als een onrechtmatige daad zoals bedoeld in artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De verdachte is daarom verplicht om de schade te vergoeden die de benadeelde partij door dit feit heeft geleden.
Materiële schade
De gevorderde materiële schade is voldoende onderbouwd en niet weersproken. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 537,- aan materiële schade toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel opgelopen. Op grond van artikel 6:106 BW Pro komt de benadeelde partij daarom in aanmerking voor een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade.
Anders dan door de verdediging aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de vordering geen onevenredige belasting is van het strafproces. Het letsel zelf is niet is betwist en het debat beperkt zich dan ook tot de vraag welk bedrag in dit geval billijk is. Ook hoeft niet onderzocht te worden of Menzis enig bedrag aan de benadeelde partij heeft uitgekeerd. Uit de door de verdediging aangehaalde brief volgt immers ondubbelzinnig dat Menzis verhaal zoekt voor de door haar betaalde zorgkosten. Het is dan ook niet aannemelijk dat Menzis reeds immateriële schade heeft vergoed. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan de benadeelde partij een schadevergoeding moet worden toegekend.
Rotterdamse schaal
Bij het vaststellen van deze schadevergoeding maakt de rechtbank gebruik van de Rotterdamse schaal en hanteert zij de door het LOVS vastgestelde aanbevelingen. In geval van ernstige verwijtbaarheid of opzet op het toebrengen van letsel geldt als aanbeveling om het smartengeld te verhogen met een percentage tussen de 10 en 25%. Bij meervoudig letsel geldt de aanbeveling om het zwaarste letsel volledig mee te tellen, het in ernst tweede letsel voor 50% en om overig of verder letsel niet als percentage mee te wegen, maar dit te betrekken als factor bij de hoogte van het smartengeld.
De in de Rotterdamse schaal genoemde bedragen zijn actueel per medio 2025. Omdat het feit gepleegd is in 2023, zal de rechtbank de in de Rotterdamse schaal genoemde bedragen verminderen met het inflatiepercentage (conform CBS consumentenprijsindex) van 2025 van 3,3% en het resultaat daarvan verminderen met het inflatiepercentage van 2024 van 3,8%.
De rechtbank is van oordeel dat het letsel als gevolg van de klaplong, inclusief het plaatsen van de drain valt onder categorie 4.1 ‘Borstletsel’ onder d ‘minder ernstig borstletsel’ van de Rotterdamse schaal. De rechtbank acht het aannemelijk dat, hoewel de benadeelde partij volledig is hersteld, het weefsel blijvend is aangetast door het plaatsen van de drain. De rechtbank beschouwt dit letsel als het primaire letsel en acht op basis van de Rotterdamse schaal (na inflatiecorrectie) een bedrag van € 8.000,- voor dit letsel billijk.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van darmletsel dat tot enige blijvende schade lijdt zoals bedoeld in categorie 4.9 ‘Darmen’ onder d ‘minder ernstige aantasting van de darmen’ van de Rotterdamse schaal. De door de benadeelde partij opgelopen posttraumatische stressstoornis beschouwt de rechtbank daarom als het secundair letsel. Nu geen feiten en omstandigheden zijn gesteld met betrekking tot het herstel, categoriseert de rechtbank dit letsel als categorie 14.2 ‘Posttraumatische stressstoornis (PTSS)’ onder d ‘minder ernstig’ van de Rotterdamse schaal. Op basis daarvan is in beginsel (na inflatiecorrectie) een bedrag van € 3.000,- billijk. Na toepassing van de aanbeveling om dit secundaire letsel voor 50% mee te wegen, resteert een bedrag van € 1.500,-.
Tot slot past de rechtbank de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 10% vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van het letsel.
Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op € 10.450,-. Dit bedrag bestaat uit € 8.000,- voor het primaire letsel, € 1.500,- voor het secundaire letsel en € 950,- (10% van € 9.500) als verhoging voor de verwijtbaarheid. De verdachte zal veroordeeld worden tot betaling van dit bedrag aan de benadeelde partij en het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
Wettelijke rente
De vordering tot vergoeding van de wettelijke rente is gegrond op de wet en de immateriële schade wordt geacht te zijn geleden op het moment dat het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden, zodat de wettelijke rente over de immateriële schade van € 10.450,- toegewezen wordt vanaf 2 april 2023 tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het primair tenlastegelegde feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 10.987,-, bestaande uit € 537,- aan materiële schade en € 10.450,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over de immateriële schade van € 10.450,- vanaf 2 april 2023 tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
poging tot doodslag
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
35 (VIJFENDERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij het onvoorwaardelijk gedeelte van de aan hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
12 (TWAALF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 1983 te [geboorteplaats] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
2. zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan de [adres 3] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
3. zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van cocaïne en alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
4. gedurende de proeftijd zich zal inspannen om dagbesteding te verkrijgen en te behouden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
verstaat dat de schorsing van de voorlopige hechtenis voortduurt;
ten aanzien van de vordering benadeelde partij
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 10.987,-, bestaande uit € 537,- aan materiële schade en € 10.450,- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over de immateriële schade van € 10.450,- vanaf 2 april 2023 tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald, te betalen aan [aangever] ;
wijst het meer of anders door de benadeelde partij gevorderde af;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [aangever] van een bedrag van € 10.987,-, bestaande uit € 537,- aan materiële schade en € 10.450,- aan immateriële schade, en tot betaling van de wettelijke rente over de immateriële schade van € 10.450,- vanaf 2 april 2023 tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 79 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.G. Bruinsma, voorzitter,
mr. G.P. Verbeek, rechter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026.