Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.[gedaagde 1] te [woonplaats 2] ,
[gedaagde 2]te [woonplaats 2] ,
[gedaagde 3]te [woonplaats 2] ,
[gedaagde 4]te [woonplaats 2] ,
[gedaagde 5], overleden, laatstelijk wonende te [woonplaats 2] ,
[gedaagde 6]te [woonplaats 2] ,
1.De procedure
- de dagvaarding tevens houdende incidentele vordering tot verstrekken van bescheiden en inlichtingen van 19 november 2024, met producties 1 tot en met 20;
- het ter rolzitting van 4 december 2024 tegen gedaagden verleende verstek;
- het bij verstek gewezen vonnis in incident van 22 januari 2025 (hierna: het tussenvonnis);
- het ter rolzitting van 19 maart 2025 namens [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] gezuiverde verstek;
- de door [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] uitgebrachte verzetdagvaarding van 27 februari 2025, tevens houdende de incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussenvonnis, met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord in incident, met producties 1 tot en met 4, van [eiseres] ;
- het bericht van [eiseres] van 8 april 2025, met productie 5;
- het vonnis in verzet van 14 mei 2025 (met zaak- / rolnummer C/09/681442 / HA ZA 25-222),
- de akte van 25 juni 2025 van [eiseres] , met twee producties;
- de akte strekkende tot schorsing van de procedure ex artikel 225 lid Pro 1a Rv, van [gedaagde 4] en [gedaagde 6] ;
- het B16-formulier van 27 augustus 2025 van [eiseres] ;
- de mededeling van 24 november 2025 van mr. Van Haga dat zij zich als advocaat voor [gedaagde 4] , (de erfgenamen van) [gedaagde 5] en [gedaagde 6] aan de zaak onttrekt, waarna zich – ondanks daartoe gegeven gelegenheid – voor [gedaagde 4] en [gedaagde 6] en de erfgenamen van [gedaagde 5] geen nieuwe advocaat heeft gesteld;
- de akte zijdens eiseres van 24 december 2025, met producties 1 tot en met 12, van [eiseres] .
2.De feiten
Volgens opgave van de Basisregistratie Personen en de bevolkingsadministratie van Amsterdam heeft de overledene geen afstammelingen achtergelaten.”
3.Het geschil
4.De beoordeling
Volgens opgave van de Basisregistratie Personen en de bevolkingsadministratie van Amsterdam heeft de overledene geen afstammelingen achtergelaten.”. Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij nog op dat de e-mailberichten waar [eiseres] zich op beroept alleen aan [gedaagde 6] zijn gestuurd. Als [gedaagde 6] deze berichten al heeft ontvangen (wat hij betwist), brengt dit niet mee dat de overige deelgenoten niet te goeder trouw zijn geweest ten tijde van de verdeling van de nalatenschap van erflaatster.