ECLI:NL:RBDHA:2026:3247

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
09-294800-25 en 09-345757-25 (ttz. gev.)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 310 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd voor twee winkeldiefstallen

De rechtbank Den Haag heeft op 24 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die op 24 november 2025 twee winkeldiefstallen pleegde bij supermarkten in Pijnacker-Nootdorp. De verdachte bekende de feiten en er was voldoende bewijs om de tenlasteleggingen wettig en overtuigend te bewijzen.

De verdachte is een Poolse man die sinds 2009 in Nederland verblijft en sinds 2019 met justitiële problemen en dakloosheid kampt. Hij is sinds 2021 bekend bij de reclassering, die een negatief advies gaf vanwege gebrek aan probleeminzicht, motivatie en een patroon van recidive, waaronder huiselijk geweld en verstoring van de openbare orde.

De rechtbank stelde vast dat aan de harde criteria van artikel 38m Sr is voldaan, waaronder eerdere onherroepelijke vrijheidsstraffen en recidive. Ook de zachte criteria zijn vervuld, omdat minder ingrijpende maatregelen onvoldoende zijn gebleken. De reclassering adviseerde een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, die de rechtbank passend achtte.

De rechtbank legde de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar op zonder aftrek van voorarrest, om de maatschappij te beschermen tegen herhaling van delicten. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte opgelegd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar voor twee winkeldiefstallen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/319530-25
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.P.N. Gommers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.M.V. Bandhoe naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, op of omstreeks 24 november 2025 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp,
een of meerdere goederen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan de
Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij, op of omstreeks 24 november 2025 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp,
een of meerdere goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de
Dirk supermarkt, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met
het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025399457, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 46).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 februari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 25 november 2025 (p. 5 - 8);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 25 november 2025 (p. 14 – 16);
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 24 november 2025 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp,
meerdere goederen
dieaan de
Albert Heijn toebehoorden heeft weggenomen met het
oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op 24 november 2025 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp,
meerdere goederen die aan de
Dirk supermarkt toebehoorden heeft weggenomen met
het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte de onvoorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen ISD-maatregel kan worden opgelegd, omdat niet voldaan is aan artikel 38m Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de uitgebrachte reclasseringsadviezen niet gelden als een met redenen omkleed advies als bedoeld artikel in 38m lid 4 van het Wetboek van Strafrecht. Verder heeft de verdediging bepleit dat niet wordt voldaan aan de ‘zachte criteria’ van de ISD-maatregel. De verdediging heeft gesteld dat, in plaats van een onvoorwaardelijk ISD-maatregel, een gevangenisstraf of een voorwaardelijke ISD-maatregel zou kunnen worden opgelegd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen op dezelfde dag bij verschillende supermarkten. Winkeldiefstallen zijn vervelende feiten, die overlast geven en voor winkeliers schade veroorzaken.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 10 december 2025 (reclasseringsadvies raadkamerzitting voorlopige hechtenis) en van 22 januari 2026 (reclasseringsadvies rechtszitting). Uit die reclasseringsadviezen blijkt het volgende. De reclassering ziet op veel verschillende gebieden instabiliteit in het leven van verdachte. De verdachte is afkomstig uit Polen en is omstreeks 2009 naar Nederland gekomen. Hij is de eerste tien jaren in Nederland zelfredzaam geweest en heeft werk, inkomsten en huisvesting verkregen. In 2019 leidde relatieproblematiek tot justitiële contacten en dakloosheid. De verdachte is sinds 2021 in beeld bij de reclassering. Het toezicht bij de reclassering verliep moeizaam, omdat de betrokkene geen probleeminzicht toonde en geen motivatie tot gedragsverandering. Nadat de verdachte recidiveerde met huiselijk geweld in 2022 is het toezicht in juli 2023 voortijdig negatief beëindigd. Vanaf 2023 is sprake van een patroon in het verstoren van de openbare orde. De verdachte verblijft op straat, heeft geen inkomen en kampt met alcoholverslaving. Hoewel de verdachte goede voornemens heeft om werk en huisvesting te regelen, heeft de reclassering hier weinig vertrouwen in gelet op de langdurige zorgelijke situatie van de verdachte en zijn gebrekkige zelfredzaamheid.
De reclassering schat de kans op herhaling in als hoog. De reclassering ziet geen mogelijkheden om de verdachte te begeleiden met bijzondere voorwaarden. Zij adviseert aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Tijdens de terechtzitting is mevrouw [naam] , de opsteller van het advies, gehoord als getuige-deskundige. Zij heeft haar advies verder toegelicht en de conclusies daarvan bevestigd.
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-voorwaarden van artikel 38m Sr voldoet. De bewezenverklaarde feiten kwalificeren als diefstal, een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte van 8 januari 2026 blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar voorafgaand aan het huidige feit ten minste drie keer onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Deze straffen zijn volledig ten uitvoer gelegd. De bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. De verdachte is in het verleden vaak veroordeeld voor vermogensdelicten en de reclassering schat de kans op herhaling in als hoog. De rechtbank deelt die inschatting en naar het oordeel van de rechtbank moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte in de toekomst opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van goederen in het geding is.
Verder is, anders dan de raadsman ter terechtzitting heeft bepleit, voldaan aan de voorwaarde uit artikel 38m lid 4 Sr. De reclassering heeft gedagtekende en ondertekende adviezen opgesteld waarin een met redenen omkleed advies is gegeven over de mogelijk op te leggen ISD-maatregel. De adviezen zijn beide minder dan één jaar voor de zittingsdatum opgemaakt. Dat de reclassering in haar advies voor de terechtzitting voor een groot deel verwijst naar haar advies voor de raadkamerzitting, maakt niet dat het advies ten aanzien van de oplegging van de ISD-maatregel niet voldoet aan artikel 38m lid 4 Sr. Het gaat erom dat het advies zodanig met redenen is omkleed dat de rechter zich op grond daarvan een oordeel kan vormen over de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de maatregel (Gerechtshof Amsterdam, 8 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4639), en dat het advies gebaseerd is op recent onderzoek (Hoge Raad, 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:83, r.o. 3.4.2). Naar het oordeel van de rechtbank is aan beide voorwaarden voldaan.
Tot slot voldoet de verdachte aan de definitie van een ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Tegen de verdachte zijn over een periode van vijf jaar processen-verbaal opgemaakt voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of ook aan de zogenoemde ‘zachte’ ISD-criteria is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank beoordeelt of alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft. De verdachte is in 2021 onder toezicht geweest bij de reclassering. Dit toezicht is in 2023, na recidive van de verdachte, negatief beëindigd. Gelet hierop, het gebrek aan probleeminzicht van de verdachte en zijn complexe alcoholverslaving, acht de rechtbank het, met de reclassering, niet haalbaar om binnen een voorwaardelijk kader recidive te voorkomen. Dan blijft slechts de ISD-maatregel over.
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank acht het daarom passend en geboden om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaar. Om de bescherming van de maatschappij voor die duur te waarborgen, past de rechtbank geen aftrek van voorarrest toe.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:
- 38m, 38n, 57, 310 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal;
ten aanzien van feit 2:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt aan de verdachte op de maatregel tot
plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.W. Duijnstee, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. I. Jadib, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Straaten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2026.