Eiser, van Guinese nationaliteit, diende een opvolgende aanvraag om asiel in nadat zijn eerdere aanvraag onherroepelijk was afgewezen. De minister verklaarde deze nieuwe aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiser geen relevante nieuwe elementen had aangevoerd. Hoewel eiser nieuwe documenten overlegde, concludeerde een deskundige dat deze mogelijk niet bevoegd waren opgemaakt en afgegeven.
Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid omdat hij niet tijdig kon reageren op de verklaring van onderzoek. De rechtbank oordeelde dat dit niet tot schending van belangen leidde, aangezien de minister de conclusies in het voornemen had vermeld. Verder stelde eiser dat de minister zijn vergewisplicht niet had nageleefd, maar de rechtbank vond dat de minister terecht op de deskundige verklaring mocht vertrouwen en dat eiser onvoldoende gemotiveerd had betwist.
De rechtbank vond dat de minister aan de samenwerkingsverplichting had voldaan en dat de brief van eisers oom weliswaar enige waarde had, maar onvoldoende was om de documenten te rechtvaardigen. Ook het verwijt dat de minister het late overleggen van documenten ten onrechte meewoog, werd verworpen. Ten slotte oordeelde de rechtbank dat het terugkeerbesluit uit 2021 rechtsgeldig is en dat er geen actuele aanwijzingen zijn voor een risico op refoulement.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de opvolgende asielaanvraag. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.