De minister van Asiel en Migratie legde op 29 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Syrische vreemdeling, op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De maatregel werd op 17 februari 2026 opgeheven. De rechtbank behandelde het beroep op 13 februari 2026, waarbij eiser niet aanwezig was, maar wel vertegenwoordigd door een waarnemer.
De rechtbank oordeelde dat eiser bewust niet verscheen ondanks een oproep en dat het verzoek om alsnog gehoord te worden na de zitting niet kon worden ingewilligd, mede omdat eiser de volgende werkdag was uitgezet. De minister had de maatregel gemotiveerd met zware en lichte gronden, waaronder het niet op de juiste wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en het niet meewerken aan overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat volgens de Dublinverordening.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel niet onrechtmatig was en dat eiser onder de categorie van artikel 59a Vw viel. Er was een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Duitsland, en de minister werkte voortvarend aan de overdracht, die op 16 februari 2026 daadwerkelijk plaatsvond naar Kroatische autoriteiten. Er waren geen persoonlijke omstandigheden die een lichter middel rechtvaardigden.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd was, het beroep ongegrond is en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.