Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:3114

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
26.5699
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwVreemdelingenwet 2000DublinverordeningArt. 4:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling na overdracht

De minister van Asiel en Migratie legde op 29 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Syrische vreemdeling, op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De maatregel werd op 17 februari 2026 opgeheven. De rechtbank behandelde het beroep op 13 februari 2026, waarbij eiser niet aanwezig was, maar wel vertegenwoordigd door een waarnemer.

De rechtbank oordeelde dat eiser bewust niet verscheen ondanks een oproep en dat het verzoek om alsnog gehoord te worden na de zitting niet kon worden ingewilligd, mede omdat eiser de volgende werkdag was uitgezet. De minister had de maatregel gemotiveerd met zware en lichte gronden, waaronder het niet op de juiste wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en het niet meewerken aan overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat volgens de Dublinverordening.

De rechtbank stelde vast dat de maatregel niet onrechtmatig was en dat eiser onder de categorie van artikel 59a Vw viel. Er was een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Duitsland, en de minister werkte voortvarend aan de overdracht, die op 16 februari 2026 daadwerkelijk plaatsvond naar Kroatische autoriteiten. Er waren geen persoonlijke omstandigheden die een lichter middel rechtvaardigden.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd was, het beroep ongegrond is en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5699

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. De minister heeft op 29 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft op 17 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Mr. H. Postma is verschenen op de rechtbank in Groningen, als waarnemer voor de gemachtigde van eiser. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het recht om te worden gehoord
2. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting bij de medewerker van DTC Rotterdam aangegeven niet bij de zitting aanwezig te willen zijn. Een ondertekende afstandsverklaring was nog niet beschikbaar. De rechtbank heeft te kennen gegeven dat eiser nog kon aansluiten zolang de zitting duurde. De rechtbank heeft zaak op zitting behandeld en om 10:48 het onderzoek ter zitting gesloten. Gebleken is dat eiser na afloop van de zitting op het DTC Rotterdam kenbaar heeft gemaakt dat hij toch gehoord wenste te worden en de afstandsverklaring niet wilde ondertekenen. Dat eiser na afloop van de zitting heeft aangegeven toch gehoord te willen worden maakt niet dat de rechtbank eiser alsnog had moeten horen. Eiser is op 11 februari 2026 opgeroepen om te verschijnen in de telehoorruimte. Daarbij is eiser erop gewezen dat verschijnen een verplichting is. Eiser heeft ondanks deze verplichting direct voor aanvang van de zitting nadrukkelijk aangegeven aan de medewerker van het DTC dat hij niet wenste mee te komen naar de telehoorruimte en dat hij niet bij de zitting aanwezig wilde zijn. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling dat eiser er zelf voor heeft gekozen om niet te verschijnen. Dat eiser na afloop van de zitting van gedachten is veranderd komt voor zijn eigen rekening en risico. Daarbij neemt de rechtbank mee dat eiser wel middels zijn gemachtigde vertegenwoordigd is geweest. Bovendien bestond er geen mogelijkheid om eiser alsnog in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, omdat eiser op de eerstvolgende werkdag is uitgezet. Hetgeen is bevestigd door de M113 die de minister na sluiting van het onderzoek aan het dossier heeft toegevoegd.
Ten aanzien van de maatregel van bewaring
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.
(lichte gronden)
4a. zich niet aan één of meer andere voor de vreemdeling geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op de grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 15 januari 2026 heeft eiser een overdrachtsbesluit gekregen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
Gronden
6. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven.
7.1.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen dan wel medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken, en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Op 2 februari 2026 is er een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Op 2 februari 2026 en 6 februari 2026 zijn er aankondigingen verstuurd voor de overdracht. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat het vluchtnummer en tijdstip van de overdracht zijn gewijzigd, en dat de overdracht daarom tweemaal is aangekondigd. De overdracht van eiser stond gepland voor 16 februari 2026. Na het sluiten van het onderzoek is gebleken dat eiser ook daadwerkelijk op 16 februari 2026 is overgedragen aan de Kroatische autoriteiten.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. [2]
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier¸ en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.