ECLI:NL:RBDHA:2026:3109

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
NL25.20845
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b Vreemdelingenwet 2000Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 3:2 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens ondeugdelijke motivering over vervolgingsrisico Ethiopische autoriteiten

Eiser, een Ethiopische nationaliteit dragende persoon, diende zijn vierde asielaanvraag in Nederland in, gebaseerd op zijn politieke activiteiten voor de Tigray People’s Democratic Movement en zijn kritiek op de Ethiopische regering. De minister wees de aanvraag af wegens gebrek aan aannemelijk vervolgingsrisico.

De rechtbank oordeelt dat de minister de geloofwaardigheid van eisers deelname aan de Tigray community in Nederland te strikt en onzorgvuldig heeft beoordeeld, zonder voldoende rekening te houden met de verklaringen van eiser. Tevens is onvoldoende gemotiveerd waarom eiser na terugkeer niet politiek actief zou blijven.

Verder heeft de minister nagelaten te beoordelen of de Ethiopische autoriteiten op de hoogte zullen raken van eisers politieke activiteiten en of dit zal leiden tot negatieve aandacht en vervolging. Hierdoor is het besluit ondeugdelijk gemotiveerd en wordt het vernietigd.

De rechtbank draagt de minister op binnen tien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de motivering en beoordeling van het vervolgingsrisico zorgvuldig dienen te worden uitgevoerd. Tevens worden de proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering over het vervolgingsrisico.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20845

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep, samen met eisers verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.20846), op 29 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, G. Ogbamichael als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Inleiding

1.1.
Eiser heeft de Ethiopische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1983. Hij heeft op 30 april 2021 asiel aangevraagd. Dit betreft zijn vierde asielaanvraag in Nederland. Zijn drie eerdere asielaanvragen (ingediend in 2011, 2012 en 2014) zijn door verweerder afgewezen. Die afwijzingen staan in rechte vast.
1.2.
Eiser heeft aan zijn onderhavige asielaanvraag van 30 april 2021 het volgende ten grondslag gelegd. Eiser behoort tot de Irob bevolkingsgroep. In Ethiopië was hij lid van de Tigray People’s Democratic Movement (TPDM) en verrichtte hij activiteiten voor die groep. Ook in Nederland is eiser politiek actief. Hij heeft hier deelgenomen aan diverse demonstraties tegen de Ethiopische regering. Daarnaast is hij actief op social media, waarop hij kritiek uit op de Ethiopische regering en informatie deelt over het optreden van de Ethiopische regering in Tigray. Verder maakt hij deel uit van de Tigray community in Nederland. Bij terugkeer naar Ethiopië vreest eiser voor vervolging door de Ethiopische regering vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten.

Het bestreden besluit

2.1.
Voorop staat dat in de vorige asielprocedures van eiser al is aangenomen dat eiser in Ethiopië enige politieke activiteiten heeft verricht voor de TPDM. Daarvan wordt door verweerder in de huidige asielprocedure ook uitgegaan.
2.2.
Het asielrelaas van eiser in de huidige asielprocedure bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- politieke activiteiten in Nederland;
- politieke overtuiging.
2.3.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser en zijn politieke overtuiging geloofwaardig. De politieke activiteiten van eiser in Nederland heeft verweerder deels geloofwaardig geacht. Verweerder heeft in dit verband wel geloofd dat eiser heeft deelgenomen aan demonstraties, in 2018 twee interviews heeft gegeven, actief is op X (voorheen: Twitter) en tot 2022 actief was op Facebook, maar niet geloofd dat eiser na 2022 nog actief is geweest op Facebook, onderdeel uitmaakt van de Tigray community en nog lid is van de TPDM.
2.4.
De geloofwaardig geachte (onderdelen van) elementen leveren volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet hierop en nu er sprake is van een opvolgende asielaanvraag, heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.

Beroepsgronden

3. Eiser voert tegen het bestreden besluit het volgende aan.
Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat ongeloofwaardig is dat eiser deel uitmaakt van de Tigray community. Op dit punt is verweerders toepassing van Werkinstructie 2024/6, namelijk als ‘checklist’, niet in overeenstemming met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn. Van een asielzoeker mag niet worden verwacht dat hij elk relevant element met documenten onderbouwt
.In dit geval geldt dat de (online) ontmoetingen niet op een zinvolle manier te documenteren zijn. Verweerder heeft verder niet uitgelegd waarom hij eisers deelname aan de Tigray community ongeloofwaardig vindt, anders dan omdat eiser dit niet met documenten heeft gestaafd.
Verder heeft verweerder zich volgens eiser ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij bij terugkeer naar Ethiopië geen gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten. Onder verwijzing naar landeninformatie stelt eiser dat de Ethiopische autoriteiten geen enkel kritisch geluid meer over hun kant laten gaan. Ook de kritiek die in de ogen van verweerder algemeen en marginaal is, kan aanleiding geven tot negatieve aandacht. Verder volgt uit die landeninformatie dat iedereen die zich kritisch uitlaat over de autoriteiten problemen kan krijgen, niet alleen politici, journalisten en mensenrechtenverdedigers. Nu niet in geschil is dat eiser (online) kritiek op de autoriteiten levert, kan hij in Ethiopië hun doelwit worden. Eisers activiteiten zijn bovendien niet beperkt tot kritiek op de autoriteiten. Een belangrijk deel van zijn activiteiten bestaat uit informatievoorziening aan de buitenwereld over wat er werkelijk gaande is in Tigray. De Ethiopische autoriteiten nemen aanstoot aan het verspreiden van dit soort in hun ogen ‘false information to mislead the public’. Eiser betwist voorts het standpunt van verweerder dat hij geen sterke politieke overtuiging heeft. Hij verricht al jarenlang politieke activiteiten, zowel in Ethiopië als in Nederland. Dat doe je niet als je geen sterke politieke overtuiging hebt. Bovendien geldt dat het niet zozeer gaat om de sterkte van zijn politieke overtuiging, maar om de vraag of eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten komt te staan als hij zijn politieke activiteiten in Ethiopië zou voortzetten. Dat hij al jarenlang politiek actief is en dit ook al in Ethiopië is geweest, zijn belangrijke aanwijzingen dat hij na terugkeer actief zal blijven. Het is dan ook onduidelijk waarom verweerder het niet aannemelijk vindt dat eiser na terugkeer in Ethiopië (op zijn minst marginale) politieke activiteiten zal verrichten.

Het oordeel van de rechtbank

Geloofwaardigheid deelname Tigray community
4.1.
Verweerder heeft ongeloofwaardig geacht dat eiser in Nederland deel uitmaakt van de Tigray community en daarmee politieke activiteiten verricht. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser op dit punt niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw, omdat hij geen documenten over zijn deelname aan de Tigray community heeft overgelegd en geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van dergelijke documenten.
4.2.
Niet in geschil is dat verweerder zijn geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht aan de hand van Werkinstructie (WI) 2024/6. Zoals uit eerdere uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt, bijvoorbeeld de uitspraak van 4 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21346, r.o. 7.7, is de toepassing van WI 2024/6 niet in iedere zaak zonder meer in strijd met het Unierecht. De toepassing van WI 2024/6 in een concrete zaak kan naar het oordeel van de rechtbank echter wel in strijd met het Unierecht, meer specifiek artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, komen als verweerder ‘stap 2b’ van WI 2024/6 – waarin is vermeld dat een asielmotief ongeloofwaardig is als niet aan alle vijf voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw is voldaan – te strikt, als een ‘checklist’, toepast en niet alle omstandigheden, waaronder de afgelegde verklaringen en het overgelegde bewijsmateriaal, betrekt en in samenhang beoordeelt. Ter vergelijking wordt verwezen naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, r.o. 4.5 en 4.6, en naar de uitspraak van de meervoudige kamer van zittingsplaats Utrecht van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057, r.o. 7 tot en met 7.3, welke overwegingen in deze uitspraak worden onderschreven.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder WI 2024/6 in deze zaak op het punt van eisers deelname in Nederland aan de Tigray community (als onderdeel van het tweede asielmotief ‘politieke activiteiten in Nederland’) te strikt heeft toegepast en niet alle in dat verband relevante omstandigheden bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat eisers deelname aan de Tigray community ongeloofwaardig is namelijk slechts ten grondslag gelegd dat eiser geen documenten hierover heeft overgelegd en geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van documenten, zodat hij niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder heeft echter verzuimd om de verklaringen die eiser heeft afgelegd over zijn deelname aan de Tigray community in Nederland bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling te betrekken en om te beoordelen of die verklaringen een samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat hij in het voornemen wél heeft beoordeeld en gemotiveerd dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw, volgt de rechtbank niet. Dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw heeft verweerder slechts gesteld ten aanzien van eisers lidmaatschap in Nederland van de TPDM, en niet ten aanzien van eisers deelname in Nederland aan de Tigray community. Nu verweerder zijn standpunt dat eisers deelname aan de Tigray community ongeloofwaardig is dus slechts heeft gebaseerd op het argument dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw en hij de door eiser afgelegde verklaringen hierover in het geheel niet bij zijn beoordeling heeft betrokken, moet naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat verweerders geloofwaardigheidsoordeel op dit punt in strijd met artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn tot stand is gekomen. Het standpunt van verweerder dat ongeloofwaardig is dat eiser in Nederland deel uitmaakt van de Tigray community kan dan ook, vanwege een onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering, niet in stand blijven. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt.
Risico vanwege politieke overtuiging en activiteiten
5.1.
Verweerder heeft eisers politieke overtuiging, die erop neerkomt dat hij voor een vrij en gelijk Ethiopië is en tegen het beleid en optreden van de Ethiopische regering in (vooral) Tigray is, geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser in Ethiopië enige activiteiten heeft verricht voor de TPDM – een oppositiegroep die volgens eiser inmiddels niet meer bestaat – en dat eiser in Nederland politieke activiteiten heeft verricht, bestaande uit het geven van twee interviews in 2018, het deelnemen aan diverse demonstraties tegen de Ethiopische regering en het plaatsen van kritische berichten op Facebook (tot 2022) en op Twitter/X (tot op heden).
5.2.
Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser door voormelde geloofwaardig geachte politieke overtuiging en activiteiten bij terugkeer naar Ethiopië een gegronde vrees heeft voor vervolging. Doorslaggevend hiervoor is volgens verweerder dat eiser geen sterke politieke overtuiging heeft en dat het niet aannemelijk is dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten staat of, bij terugkeer, zal komen te staan.
5.3.
Deze risico-inschatting van verweerder toetst de rechtbank hierna. De rechtbank zal eerst, onder 6.1 tot en met 6.3, beoordelen of verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet valt onder het risicoprofiel ‘activisten’. Daarna, onder 7.1 tot en met 7.4, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten staat of, bij terugkeer, zal komen te staan.
5.4.
Bij haar toetsing gaat de rechtbank uit van de door verweerder geloofwaardig geachte politieke overtuiging en activiteiten van eiser. Hiervoor, onder 4.3, is echter overwogen dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat ongeloofwaardig is dat eiser deel uitmaakt van de Tigray community en daarmee politieke activiteiten verricht. Bij deze stand van zaken kan daarom niet worden geoordeeld dat verweerder eisers deelname aan de Tigray community terecht buiten beschouwing heeft gelaten bij zijn risico-inschatting en dat de gemaakte risico-inschatting – die hierna dus wordt getoetst – volledig is geweest.
Risicoprofiel ‘activisten’
6.1.
In het asielbeleid voor Ethiopië, neergelegd in paragraaf C7/14.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), is bepaald dat verweerder ‘activisten’ aanmerkt als risicoprofiel voor vervolging. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen in geschil is of eiser een ‘activist’ in vorenbedoelde zin is.
6.2.
In paragraaf C7/14.3.2 van de Vc is niet uitgelegd wanneer iemand wordt aangemerkt als ‘activist’. Die uitleg is wel te vinden in de ‘beslisnota’s landenbeleid Ethiopië’ van 17 maart 2023 en van 2 april 2024. Daarin is vermeld dat het gaat om personen die significante kritiek leveren op de Ethiopische autoriteiten. Of daarvan sprake is, hangt af van de aard en inhoud van de kritiek, het bereik van de kritiek en de impact van de kritiek, zo staat in die beslisnota’s.
6.3.
Hieruit volgt dat onder ‘activist’ in paragraaf C7/14.3.2 van de Vc niet wordt verstaan de ‘gewone kritische burger’, maar een persoon die zich breder kenbaar en op onderscheidende en impactvolle wijze uitspreekt of keert tegen de Ethiopische autoriteiten. Hoewel eisers politieke stellingnames en uitingen qua inhoud naar het oordeel van de rechtbank aanzienlijk kritisch zijn, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eisers activiteiten niet onderscheidend en impactvol genoeg zijn en dat zijn bereik niet groot genoeg is om hem aan te merken als persoon die significante kritiek levert en daarmee als ‘activist’ in de zin van paragraaf C7/14.3.2 van de Vc. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat eiser op social media vooral veel berichten van andere gebruikers heeft gepost (‘doorposten’), dat de enkele eigen berichten die eiser op social media heeft gepost maar weinig ‘likes’ krijgen en niet veel ‘views’ hebben en dat eiser op X slechts 248 mensen volgt en 536 volgers heeft, van wie onbekend is wie dat precies zijn. Verder acht de rechtbank hiertoe van belang dat niet is gebleken dat eiser tijdens de demonstraties waaraan hij in Nederland heeft deelgenomen een leidende of andere bijzondere rol heeft gehad en dat op het moment van de interviews van eiser in 2018 nog niet de huidige regering aan de macht was in Ethiopië. Verweerder heeft zich, gezien het voorgaande, dan ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet valt onder het risicoprofiel ‘activisten’. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Negatieve belangstelling
7.1.
Verder is tussen partijen in geschil of het aannemelijk is dat eiser, als ‘gewone burger’ die zich kritisch uit ten opzichte van de Ethiopische regering, in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten staat of, bij terugkeer, zal komen te staan. De rechtbank overweegt dat de beoordeling of het aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten staat of zal komen te staan, uiteenvalt in twee stappen. De eerste stap van de beoordeling is of het aannemelijk is dat de Ethiopische autoriteiten kennis hebben of zullen krijgen van de politieke overtuiging en activiteiten van eiser. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is de tweede stap van de beoordeling of het aannemelijk is dat die kennis zal leiden tot negatieve aandacht van de Ethiopische autoriteiten voor eiser. De rechtbank zal hierna aan de hand van deze twee stappen beoordelen of verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten staat of zal komen te staan. Daarbij zal de rechtbank eerst, onder 7.2, ingaan op de actuele situatie in Nederland en daarna, onder 7.3 e.v, op de situatie na terugkeer van eiser in Ethiopië.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment in de negatieve belangstelling staat van de Ethiopische autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten. Verweerder heeft hiertoe terecht gesteld dat eiser geen concrete aanwijzingen (bijvoorbeeld: berichten, oproepen of (online) bedreigingen) heeft aangedragen waaruit blijkt dat de Ethiopische autoriteiten op dit moment op de hoogte zijn van eisers berichten op social media en zijn deelname aan demonstraties, laat staan daarvoor negatieve aandacht hebben. Verder heeft verweerder terecht gesteld dat het bereik van eisers berichten op social media en zijn rol tijdens demonstraties te beperkt is (zie ook 6.3) om zonder meer aan te nemen dat de Ethiopische autoriteiten kennis hebben van deze activiteiten van eiser. Hierbij is van belang dat uit de door eiser aangedragen landeninformatie weliswaar blijkt dat er van overheidswege enig toezicht plaatsvindt op Ethiopiërs in het buitenland, maar dat daaruit niet blijkt dat dit toezicht zo ver strekt dat alle Ethiopiërs in het buitenland in de gaten worden gehouden.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarentegen niet deugdelijk gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat eiser na terugkeer in Ethiopië in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteten terecht zal komen. Dit legt de rechtbank hierna uit.
7.3.1.
In de eerste plaats geldt hiertoe dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser zich na terugkeer in Ethiopië politiek zal uiten. Verweerder heeft aan dit standpunt vooral ten grondslag gelegd dat de door eiser in Ethiopië en Nederland verrichte politieke activiteiten marginaal zijn en dat er daarom bij eiser geen sprake is van een sterke politieke overtuiging, maar dit is naar het oordeel van de rechtbank geen toereikende motivering van voormeld standpunt. Verweerder legt hiermee namelijk niet uit waarom eiser zijn politieke overtuiging na terugkeer in Ethiopië niet op (in ieder geval) eenzelfde – in de ogen van verweerder: marginale – wijze zal uiten als hij de laatste jaren in Nederland heeft gedaan. Relevantere omstandigheden voor deze beoordeling zijn naar het oordeel van de rechtbank bovendien dat eiser, zo is door verweerder geloofd, gedurende zijn verblijf in Ethiopië al een tijd enige politieke activiteiten heeft verricht en dat hij ook in Nederland altijd politieke activiteiten is blijven verrichten. Dit betekent dat eiser al aanzienlijk lange tijd, ruim 20 jaar, politieke activiteiten verricht, hetgeen overigens ook wel iets zegt over de sterkte van zijn politieke overtuiging. Deze omstandigheden – te weten: de lange tijd dat eiser al politieke activiteiten verricht en het feit dat hij dit zowel in zijn land van herkomst als in Nederland heeft gedaan – vormen naar het oordeel van de rechtbank belangrijke aanwijzingen voor hoe eiser na terugkeer in Ethiopië uiting wil en zal geven aan zijn politieke overtuiging. Daarbij komt dat eiser tijdens de gehoren heeft verklaard dat hij na terugkeer in Ethiopië zal doorgaan met zijn politieke activiteiten zoals hij die nu verricht (vooral het plaatsen van kritische en informatieve berichten op social media); dit heeft hij ter zitting herhaald. Aan voormelde omstandigheden en verklaringen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij zijn beoordeling hoe eiser zijn politieke overtuiging na terugkeer in Ethiopië zal uiten onvoldoende betekenis toegekend.
7.3.2.
In de tweede plaats geldt hiertoe, en dit vloeit voort uit het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek, dat verweerder niet heeft beoordeeld en gemotiveerd of de Ethiopische autoriteiten ervan op de hoogte zullen raken als eiser in Ethiopië op dezelfde wijze politieke activiteiten verricht als hij in Nederland doet (vooral het plaatsen van berichten op social media). Eiser heeft in dit verband een flinke hoeveelheid landeninformatie aangedragen, waaruit onder andere volgt dat (ook) ‘gewone kritische burgers’ in Ethiopië te maken krijgen met vergaande en effectieve (digitale) controle op kritische uitlatingen over de Ethiopische regering. Deze landeninformatie heeft verweerder in dit verband ook niet beoordeeld.
7.3.3.
In de derde plaats geldt hiertoe, en dit vloeit weer voort uit voormelde gebreken, dat verweerder niet heeft beoordeeld en gemotiveerd of de Ethiopische autoriteiten, als zij op de hoogte raken van eisers politieke activiteiten na terugkeer in Ethiopië, negatieve aandacht voor eiser zullen hebben. Eiser heeft ook in dit verband landeninformatie aangedragen, waaruit onder ander blijkt dat de Ethiopische autoriteiten streng kunnen optreden tegen personen, ook ‘gewone burgers’, die zich kritisch over hen uitlaten en tegen personen die informatie aan de buitenwereld verstrekken over de situatie en het optreden van de Ethiopische regering in Tigray. Dit is precies wat eiser met zijn berichten op social media doet. Ook deze landeninformatie is door verweerder niet beoordeeld.
7.4.
Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat eiser na terugkeer in Ethiopië in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten terecht zal komen vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten.
Slotsom
8. Nu in het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat eiser na terugkeer in Ethiopië in de negatieve belangstelling terecht zal komen van de Ethiopische autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten, heeft verweerder zich, in het verlengde hiervan, ook ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser in Ethiopië een gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
10. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase door verweerder zijn hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om eisers deelname aan de Tigray community op geloofwaardigheid te beoordelen en om te beoordelen of eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging op grond van zijn (geloofwaardig geachte) politieke overtuiging en activiteiten. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat dit, gelet op het aantal gebreken en de aard daarvan, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak (meer specifiek de overwegingen 4.3 en 7.3 e.v.), een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van tien weken.
11. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.