ECLI:NL:RBDHA:2026:3057

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL25.36282
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek Nigeriaanse homoseksuele man wegens onvoldoende geloofwaardigheid

Eiser, een Nigeriaanse man, heeft meerdere asielaanvragen ingediend met als grond zijn homoseksuele geaardheid. Eerdere aanvragen werden afgewezen wegens onvoldoende geloofwaardigheid en tegenstrijdigheden in zijn verklaringen over zijn seksuele identiteit en relaties.

In de huidige procedure heeft eiser nieuwe stukken overgelegd, waaronder brieven, gespreksverslagen en foto’s met zijn partner, en stelt hij een persoonlijke groei te hebben doorgemaakt in het uiten van zijn seksuele identiteit. De minister heeft echter geoordeeld dat deze nieuwe informatie onvoldoende is om zijn homoseksualiteit aannemelijk te maken.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser onvoldoende concrete en authentieke verklaringen heeft gegeven over zijn relatie en persoonlijke groei. Ook de wisselende verklaringen over zijn partners en de aard van zijn relaties ondermijnen zijn geloofwaardigheid.

De deelname aan LHBTI-activiteiten en de overgelegde documenten zijn onvoldoende om de minister te weerleggen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van de asielaanvraag.

Uitkomst: Het beroep van de Nigeriaanse asielzoeker wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van zijn homoseksuele geaardheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36282

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dat betekent dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 26 september 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Eerdere asielprocedures
3. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft op 27 mei 2019 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. Het beroep van eiser daartegen is ongegrond verklaard op 16 oktober 2019. [1]
3.1.
Op 18 september 2019 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking
humanitair tijdelijkingediend. Het beroep tegen de afwijzing van die aanvraag is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 1 oktober 2020 ongegrond verklaard. [2]
3.2.
Vervolgens heeft eiser op 17 augustus 2020 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan die aanvraag ten grondslag gelegd dat hij biseksueel is en daardoor problemen heeft ondervonden. De minister heeft bij besluit van 18 februari 2021 eisers biseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig geacht. Volgens de minister had eiser ongerijmd en vaag verklaard over zijn biseksuele geaardheid en over hoe zijn familie te weten was gekomen over zijn geaardheid. Daarnaast had eiser te algemeen verklaard over zijn gevoelens voor mannen en over zijn relatie met [persoon A]. Ook had eiser maar beperkte kennis over de positie van de lhbti-gemeenschap in Nigeria. Het beroep van eiser tegen dat besluit is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s Gravenhage van 24 maart 2021 ongegrond verklaard. [3]
3.3.
Op 4 december 2021 heeft eiser een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend, omdat eiser van mening was dat de minister in de vorige asielprocedure ten onrechte niet geloofwaardig had geacht dat eiser biseksueel is. Die aanvraag is op 16 december 2022 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser had volgens de minister met de brief van
Be Wise Buy Wiseniet aannemelijk gemaakt dat hij biseksueel is, omdat deze is geschreven door één of meerdere medewerker(s) van de organisatie waar eiser vrijwilligerswerk had verricht en daarmee is die brief niet afkomstig van een objectieve derde. Verder heeft de minister in die procedure aan eiser tegengeworpen dat hij in de eerste procedure niet over zijn gestelde partner [persoon B (naam 1)] had verklaard, hij in het eerste gehoor had verklaard dat hij een vriendin had genaamd [persoon C] en hij in het nader gehoor heeft verklaard dat zijn laatste homoseksuele relatie met [persoon A] was. Het onderzoeksrapport van LGBT Asylum Support dat eiser toen had overgelegd was ook onvoldoende om zijn biseksuele geaardheid te onderbouwen. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 23 augustus 2023 ongegrond verklaard. [4] Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd op 15 september 2023. [5]
Reden voor het indienen van de huidige opvolgende asielaanvraag
4. Op 26 september 2024 heeft eiser zijn vierde (huidige) asielaanvraag ingediend. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij homoseksueel is. Hij heeft een groei voor wat betreft zijn bewustzijn over zijn seksuele identiteit heeft doorgemaakt, omdat hij contact heeft gehad met diverse organisaties en hij een partner heeft. Hij heeft verklaard beter in staat te zijn om te spreken over zijn gevoelens en emoties die gepaard gaan met de ontdekking en ontwikkeling daarvan. Ter onderbouwing heeft eiser een brief van [persoon D] overgelegd waarin hij ingaat op situatie van eiser en op werkinstructie 2019/17. Verder heeft eiser twee gespreksverslagen van 29 mei 2024 en 24 juni 2024 overgelegd waarin eiser heeft gesproken over zijn homoseksuele geaardheid. Ook heeft eiser foto’s van zichzelf samen met [persoon B (naam 2)] [persoon B (naam 1)] en een verklaring van [persoon B (naam 2)] [persoon B (naam 1)] overgelegd. Concreet heeft eiser de volgende stukken overgelegd:
- Een brief van [persoon B (naam 2)] [persoon B (naam 1)] d.d. 10 augustus 2024;
- Een brief van [persoon E] van VluchtelingenWerk Nederland;
- Gespreksverslagen van [eiser] en [persoon F] d.d. 29 mei 2024 en 24 juni 2024;
- Een brief van [persoon D] van LGBT Asylum Support d.d. 17 september 2024;
- Een brief van [persoon D] voor herziening werkinstructie 2019/17, reactie op het antwoord van 12 juli 2024 d.d. 12 september 2024;
- Een van brief [persoon G] als reactie op de brieven van 16 april, 6 mei, 13 mei en 7 juni 2024 van [persoon D];
- Een brief van [persoon D] voor herziening werkinstructie 2019/17 d.d. 26 juni 2024;
- een brief van COC Amsterdam d.d. 8 september 2024;
- een brief van [persoon H] (New Dutch Connections) d.d. 23 september 2024.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. homoseksuele gerichtheid.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Eisers gestelde homoseksualiteit acht de minister echter niet geloofwaardig. De minister vindt namelijk dat het enkele feit dat eiser stelt nog steeds een relatie te hebben onvoldoende is. Eiser geeft geen nieuwe inzichten omtrent zijn relatie en hoe deze heeft bijgedragen aan de gestelde groei. Deze relatie is in de vorige procedure al ingebracht en beoordeeld. Het is aan eiser om in zijn derde (inhoudelijke) asielprocedure, door middel van nieuwe verklaringen, inzicht te geven in zijn relatie. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat het enkele feit dat eiser nog steeds activiteiten onderneemt de seksuele gerichtheid niet kan onderbouwen. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst leveren volgens de minister geen gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade op.
Heeft de minister eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig mogen achten?
6. Eiser voert aan dat de minister zijn homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister had de relatie van eiser in de context van al hetgeen in de procedure naar voren is gebracht moeten zien. Dat eiser nog steeds een relatie heeft met zijn partner moet als sterke indicatie worden aangemerkt bij de beoordeling en dient niet slechts als onderbouwing van een door eiser ervaren groei. Verder voert eiser aan dat zijn deelname aan activiteiten van LHBTI-organisaties als indicatie dient voor zijn homoseksuele geaardheid. De minister miskent dat eiser in zijn eigen bewoordingen een door hem doormaakte groei heeft proberen uit te leggen. Tot slot voert eiser aan dat hij foto’s van zichzelf samen met zijn partner heeft overgelegd. De minister heeft ten onrechte gesteld dat deze foto’s slechts afbeeldingen zijn en daaruit niets af te leiden valt. Daarnaast heeft eiser het verslag van het gesprek met [persoon F] overgelegd om aan te tonen dat hij ook met derden over zijn seksuele geaardheid spreekt.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn homoseksuele gerichtheid nog steeds onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft mogen overwegen dat eiser geen nieuwe of verdiepende inzichten heeft gegeven over de inhoud van zijn relatie en de wijze waarop deze relatie heeft bijgedragen aan de door hem gestelde persoonlijke groei. Van eiser mag worden verwacht dat hij op authentieke en persoonlijke wijze kan verklaren over zijn gedachten, gevoelens en beleving van zijn homoseksuele gerichtheid en de door hem gestelde acceptatie en groei. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser hierover oppervlakkig heeft verklaard. Verder heeft de minister mogen meewegen dat eiser zijn gestelde relatie met [persoon B (naam 1)] [persoon B (naam 2)] onvoldoende concreet heeft beschreven. De omstandigheid dat [persoon B (naam 2)] [persoon B (naam 1)] opnieuw een schriftelijke verklaring heeft opgesteld, is daarvoor onvoldoende. Ook heeft de minister mogen stellen dat het enkele feit dat eiser stelt te hebben deelgenomen aan gezamenlijke activiteiten met [persoon B (naam 2)] [persoon B (naam 1)], zonder nadere onderbouwing of inzicht in de aard en betekenis daarvan, ontoereikend is. Verder heeft de minister terecht tegengeworpen dat eiser, zijn gemachtigde en andere betrokkenen wisselend verklaren over of eiser sinds eind 2019 voortdurend een relatie heeft gehad met [persoon B (naam 2)] [persoon B (naam 1)] en of dat er sprake zou zijn geweest van langdurige onderbrekingen. Daarbij verwijst de minister ook terecht naar de eerdere procedure en de uitspraak van 23 augustus 2023. In die procedure is overwogen dat eiser enerzijds had verklaard dat hij een relatie had met [persoon B (naam 1)] [persoon B (naam 2)], toen nog zo aangeduid door eiser, maar anderzijds had verklaard dat hij zijn laatste homoseksuele relatie in Nigeria had gehad en terwijl hij tijdens zijn eerste gehoor in die procedure, in 2021, nog had verklaard dat hij op dat moment al enkele maanden een vriendin had, [persoon C]. Daarbij heeft de minister ook terecht tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over of [persoon B (naam 2)] nu de voornaam is van zijn vriend en [persoon B (naam 1)] zijn achternaam, of omgekeerd.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eveneens zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld heeft dat deelname aan activiteiten van LHBTI-organisaties op zichzelf onvoldoende is om de homoseksuele gerichtheid aannemelijk te achten, nu eiser niet concreet heeft gemaakt op welke wijze de deelname aan die activiteiten heeft bijgedragen aan zijn gestelde groei. Eiser heeft het voorgaande met zijn verklaringen en foto’s niet inzichtelijk weten te maken. De enkele stelling van eiser dat hij een groei heeft doorgemaakt, heeft de minister niet ten onrechte onvoldoende geacht. Tot slot heeft de minister ook kunnen stellen dat de overgelegde gespreksverslagen van [persoon F], de verklaringen van derden en de foto’s die eiser heeft overgelegd onvoldoende zijn om de eerder gemaakte tegenwerpingen te weerleggen. De minister heeft daarbij niet ten onrechte gesteld dat deze stukken de seksuele gerichtheid van eiser niet onderbouwen en ook niet de geconstateerde wisselende verklaringen wegnemen. Het is aan eiser om zijn gestelde groei en de bijdrage van de activiteiten daaraan overtuigend toe te lichten. Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de minister de door eiser gestelde homoseksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL19.22053, niet gepubliceerd.
2.Zaaknummer AWB 19/9174, niet gepubliceerd.
5.Zaaknummer 202305600/1/V2.