ECLI:NL:RBDHA:2026:3054

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL26.1280
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 17 Dublinverordeningartikel 8 EVRMartikel 3:4 Algemene wet bestuursrechtartikel 28 Vreemdelingenwet 2000artikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser diende op 12 december 2025 een asielaanvraag in, die de minister op 7 januari 2026 niet in behandeling nam omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mocht worden vanwege tekortkomingen in de Oostenrijkse opvang en zijn psychische situatie.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hoewel er enkele knelpunten zijn in de opvangvoorzieningen in Oostenrijk, zijn deze niet van dien aard dat sprake is van onmenselijke of vernederende behandeling. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij psychische problemen heeft of dat hij gediscrimineerd is. Klachten over de Oostenrijkse autoriteiten dienen bij die autoriteiten zelf te worden ingediend.

Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat bijzondere individuele omstandigheden kan rechtvaardigen om de aanvraag in Nederland te behandelen, wordt verworpen. De minister had geen aanleiding om te twijfelen aan de serieuze behandeling van een eventuele opvolgende aanvraag in Oostenrijk. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1280

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Stap),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. D. Post).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. [1] Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister mag voor Oostenrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, had op grond van de psychische situatie van eiser niet moeten afzien van een overdracht aan Oostenrijk en had geen toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop van deze zaak. Onder 3 staat hoe het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag tot stand is gekomen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 4. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 12 december 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 7 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.1281, op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dat verzoek geaccepteerd.
Mag de minister voor Oostenrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister voor Oostenrijk niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Eiser heeft in Oostenrijk weliswaar gebruik kunnen maken van opvangvoorzieningen, maar deze waren ondermaats en werden bovendien direct beëindigd nadat de asielaanvraag van eiser was afgewezen. Verder had eiser geen zicht op werk of studiemogelijkheden, en voelde hij zich gediscrimineerd en racistisch behandeld. Om die reden heeft eiser geen gebruik kunnen maken van zijn recht op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Klagen was niet mogelijk, omdat eiser te kennen werd gegeven dat hij na het indienen van een klacht direct naar Marokko zou moeten vertrekken. Eiser stelt dat hij bij terugkeer van opvang en leefgeld verstoken zal blijven, omdat hij Oostenrijk heeft verlaten zonder de Oostenrijkse autoriteiten daarover te informeren. Voor zover eiser wél in aanmerking komt voor opvang, zal die opnieuw ondermaats zijn. Uit algemene landeninformatie blijkt namelijk dat Dublinterugkeerders lange tijd in een groot opvangcentrum moeten verblijven, dat er te weinig sociaal werkers zijn om asielzoekers met psychische problemen te behandelen en dat gezondheidsdiensten moeilijk bereikbaar zijn. [3]
4.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor Oostenrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hoewel uit de door eiser aangehaalde landeninformatie blijkt dat er in de Oostenrijkse opvangvoorzieningen enkele knelpunten bestaan, zijn deze knelpunten niet van zodanige aard dat sprake is van systeemfouten die leiden tot een onmenselijke of vernederende behandeling. [4] Verder wijst de minister er terecht op dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij is gediscrimineerd en racistisch is behandeld. Daar komt nog bij dat eiser tijdens het Dublingehoor heeft verklaard dat hij geen problemen met de Oostenrijkse autoriteiten heeft ondervonden. [5] Als eiser desondanks vindt dat de Oostenrijkse autoriteiten zich niet houden aan hun Unierechtelijke verplichtingen of hem ten onrechte werk- of studiemogelijkheden onthouden, dan ligt het – zoals de minister terecht heeft gesteld – op de weg van eiser om daarover te klagen bij de (hogere) Oostenrijkse autoriteiten. Het is niet gebleken dat die mogelijkheid voor eiser niet bestaat of dat de Oostenrijkse autoriteiten een klacht niet in behandeling zouden nemen. Dat eiser eerder tevergeefs heeft geprobeerd te klagen, heeft hij immers ook niet onderbouwd.
Had de minister op grond van de psychische situatie van eiser moeten afzien van een overdracht aan Oostenrijk?
5. Het betoog van eiser dat de minister op grond van zijn psychische situatie van overdracht aan Oostenrijk had moeten afzien slaagt niet. De rechtbank begrijpt dit betoog als een beroep op het arrest CK, [6] maar eiser heeft verder niet met medische stukken onderbouwd dat hij psychische problemen heeft.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Gelet op wat hij in Oostenrijk heeft meegemaakt, heeft eiser er geen vertrouwen in dat zijn opvolgende aanvraag serieus zal worden behandeld door de Oostenrijkse autoriteiten. De minister heeft daarom niet onderkend dat sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser in Nederland te behandelen, zodat de minister geen evenredige belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft gemaakt.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat hij geen toepassing had moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Gelet op wat hiervoor onder 4.1 is overwogen, mag de minister voor Oostenrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In dat oordeel ligt besloten dat de Oostenrijkse autoriteiten hun Unierechtelijke verplichtingen nakomen. De minister had om die reden ook geen aanleiding hoeven zien om aan te nemen dat de Oostenrijkse autoriteiten een eventuele opvolgende asielaanvraag van eiser niet (serieus) in behandeling zullen nemen. [7]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Eiser wijst ter onderbouwing op het AIDA-updaterapport over Oostenrijk over het jaar 2024 (gepubliceerd in juli 2025), p. 64, 125 en 131.
4.Vergelijk Rb. Den Haag (zp Arnhem) 18 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17274, r.o. 5.1.
5.Zie het verslag van het Dublingehoor van 22 december 2025, p. 4.
6.HvJEU 16 februari 2017, C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127 (
7.Vergelijk ABRvS 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4774, r.o. 4.1.