ECLI:NL:RBDHA:2026:3039

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL24.36699 en NL24.24377
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 4:5 AwbParagraaf A3/7.2.4 VcParagraaf A3/7.2.6 Vc
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Buitenbehandelingstelling aanvraag uitstel van vertrek wegens ontbrekende bewijsstukken

Eiseres, een vijfjarig meisje met de Filipijnse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister stelde deze aanvraag buiten behandeling omdat essentiële bewijsstukken niet binnen de gestelde termijn waren aangeleverd, ondanks dat eiseres daartoe in de gelegenheid was gesteld.

De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening. Tijdens de zitting erkende de gemachtigde van eiseres dat de gevraagde bewijsstukken niet waren overgelegd. Eiseres voerde aan dat zij gehoord had moeten worden, maar de rechtbank oordeelde dat de minister terecht van horen heeft afgezien omdat er geen concrete aanwijzingen waren dat een hoorzitting tot een ander besluit zou leiden.

De rechtbank concludeerde dat de minister de aanvraag op juiste gronden buiten behandeling heeft gesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en eiseres hoeft geen griffierecht te betalen vanwege betalingsonmacht, maar krijgt dit ook niet terugbetaald. Er is geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvraag om uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.36699 en NL24.24377
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres/verzoekster (eiseres)

wettelijke vertegenwoordigers: [naam 1] (moeder) en [naam 2] (vader)
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] ,
(gemachtigde: mr. J.J.FM. van Raak).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de buitenbehandelingstelling van eiseres haar aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank/ voorzieningenrechter (de rechtbank) de buitenbehandelingstelling van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres buiten behandeling kon stellen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor het verlenen van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van
11 juni 2024 buiten behandeling gesteld. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 19 september 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van eiseres gebleven.
2.2.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het verzoek en het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de ouders van eiseres, eiseres zelf, de gemachtigde van eiseres, R. Lchin als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van de minister. Ook waren het zusje van eiseres en mevrouw [naam 3] als vertrouwenspersoon van het gezin van eiseres aanwezig.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is een vijfjarig meisje. Eiseres verblijft met haar moeder, vader en zusje in Nederland. Zij hebben de Filipijnse nationaliteit.
3.1.
Op 20 april 2024 is aan de moeder van eiseres een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. De moeder en vader van eiseres hebben na hun inreis in Nederland op grond van een toeristenvisum de Europese Unie niet meer verlaten en er is sprake van een overstay van meer dan dertien jaar. De ouders van eiseres hebben tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod bezwaar en beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 8 januari 2025 overwogen dat de minister het terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen en er geen omstandigheden zijn waarom een inreisverbod voor de duur van twee jaar te lang is. [2]
3.2.
Ten behoeve van eiseres is op 8 mei 2024 een aanvraag ingediend om uitstel voor vertrek zoals bedoeld in artikel 64 van Pro de Vw. Het verzoek is ook ingediend voor de moeder, de vader en het jongere zusje van eiseres. In de aanvraag staat dat eiseres oorproblemen heeft van dien aard dat het twijfelachtig is of zij daarmee kan vliegen. Eiseres krijgt momenteel behandeling. Ook is niet duidelijk of behandeling in de Filipijnen aanwezig en beschikbaar is.
3.3.
Omdat de aanvraag incompleet werd ingediend, heeft de minister eiseres, bij brief van 17 mei 2024, in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. Eiseres heeft bij brief van 27 mei 2024 een deel van de missende stukken overgelegd.
3.4.
Met het besluit van 11 juni 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres buiten behandeling gesteld aangezien is gebleken dat de gevraagde bewijsmiddelen niet conform de vereisten binnen de gestelde termijn zijn overgelegd. In de bezwaarfase heeft eiseres toegelicht waarom een deel van de missende stukken niet zijn overgelegd. Volgens eiseres zijn de artsen niet bereid om medewerking te verlenen bij het invullen van de formulieren. Ook verzoekt zij om teruggave van de paspoorten van het hele gezin.
3.5.
De minister handhaaft in het bestreden besluit de buitenbehandelingstelling. De minister werpt aan eiseres tegen dat de volgende gegevens ontbraken bij de aanvraag:
  • het formulier ‘Bijlage Bewijs omtrent medische situatie vreemdeling’ ten behoeve van huisarts [naam 4] ;
  • het formulier ‘Bijlage Bewijs omtrent medische situatie vreemdeling’ ten behoeve van KNO-arts [naam 5] ; en
  • de relevante medische gegevens van huisarts [naam 4] in reactie op de vragen van het Bureau Medische Advisering (BMA)
Deze stukken hadden allemaal bij de aanvraag al moeten worden overgelegd. Dat is niet gebeurd. Nadat eiseres in de gelegenheid is gesteld om de aanvraag aan te vullen, is alleen het formulier ten behoeve van huisarts [naam 4] overgelegd. De andere twee benodigde stukken zijn niet overgelegd. Dit had wel gemoeten gelet op paragraaf A3/7.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Van een geldige reden voor het niet aanleveren van de benodigde bewijsmiddelen is niet gebleken volgens de minister. Er kan dan ook geen medisch advies worden gevraagd bij het BMA.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht
4. Eiseres heeft verzocht om vrijgesteld te worden van de verplichting tot het betalen van griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank stelt op basis van de bij het verzoek overgelegde eigen verklaring omtrent de afwezigheid van vermogen vast dat eiseres aan de voorwaarden voor vrijstelling voldoet. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Toetsingskader
5. Uit artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
5.1.
Uit paragraaf A3/7.2.4 van de Vc volgt welke bewijsmiddelen de vreemdeling in ieder geval dient te overleggen bij een aanvraag om uitstel van vertrek. Ingevolge paragraaf A3/7.2.6 van de Vc verzoekt de minister het BMA in ieder geval niet om een advies uit te brengen als de vreemdeling incomplete of ontbrekende bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.2.4 van de Vc overlegt en deze niet heeft aangevuld, ondanks dat de minister hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld.
Mocht de aanvraag buiten behandeling worden gesteld?
6. De rechtbank stelt vast dat de minister de aanvraag van eiseres buiten behandeling heeft gesteld omdat een aantal benodigde bewijsmiddelen niet zijn overgelegd en eiseres deze niet heeft aangevuld, ondanks dat de minister haar daartoe in de gelegenheid heeft gesteld. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting erkend dat de door de minister gevraagde bewijsstukken niet zijn overgelegd, ook niet nadat daartoe de gelegenheid is geboden, waardoor de aanvraag in beginsel buiten behandeling kon worden gesteld. Op zitting heeft de gemachtigde van eiseres naar voren gebracht dat in deze zaak wel gehoord had moeten worden. De minister moet de burger horen zodat de burger vooruit kan worden geholpen en samen met de burger een oplossing in de zaak gevonden kan worden.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [3] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
6.2.
De minister heeft naar aanleiding van de incomplete aanvraag van eiseres herstelverzuim geboden en uitgelegd welke bewijsstukken eiseres nog diende te overleggen. Drie bewijsstukken ontbraken op dat moment nog. In de reactie hierop is slechts door eiseres het formulier ‘Bijlage Bewijs omtrent medische situatie vreemdeling’ ten behoeve van huisarts [naam 4] overgelegd. De rechtbank constateert dat in dit formulier door de huisarts nauwelijks concreet wordt toegelicht wat de medische situatie van eiseres precies inhoudt. In dit formulier staat slechts dat er sprake is van gehoorverlies en er staat niet dat eiseres niet in staat is om te vliegen. Ook ontbreekt nog steeds informatie van de KNO-arts en relevante medische gegevens van de huisarts. De minister controleert in dit soort zaken slechts of de benodigde bewijsstukken zijn overgelegd en maakt geen inhoudelijke beoordeling van de medische gegevens. Deze beoordeling is voorbehouden aan het BMA. Alleen als een aanvraag compleet is ingediend, legt de minister de aanvraag voor aan het BMA. De rechtbank ziet in de summiere medische gegevens die wel zijn overgelegd ook geen concrete aanknopingspunten die maken dat de minister samen met de familie van eiseres de hoorzitting had moeten benutten om te bezien hoe het bewijs nog eventueel zou kunnen worden aangevuld dan wel anderszins te zoeken naar een oplossing in deze zaak. De rechtbank is van oordeel dat de minister onder deze omstandigheden terecht van horen heeft afgezien.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag van eiseres op juiste gronden buiten behandeling heeft gesteld op grond van de Awb.
7.1.
Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank/ de voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 8 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1654.
3.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.