De minister van Asiel en Migratie legde op 1 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 10 februari 2026.
Eiser stelde dat de politiehandelingen in werkelijkheid een vreemdelingenrechtelijke staandehouding betrof, vermomd als strafrechtelijke aanhouding, omdat de politie twijfelde aan zijn verblijfsrechtelijke status. Volgens eiser was er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf en werd de Wet op de identificatieplicht oneigenlijk gebruikt. De rechtbank oordeelde echter dat de aanhouding een strafrechtelijke aanleiding had, namelijk het reizen zonder geldig vervoersbewijs, en dat de politie correct handelde op grond van artikel 447e Sr en de Wet ID.
De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen reden voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg en is openbaar bekendgemaakt op 16 februari 2026.