ECLI:NL:RBDHA:2026:3032

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL26.5507
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 447e SrArt. 2 Wet ID
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens aanhouding zonder geldig vervoersbewijs

De minister van Asiel en Migratie legde op 1 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 10 februari 2026.

Eiser stelde dat de politiehandelingen in werkelijkheid een vreemdelingenrechtelijke staandehouding betrof, vermomd als strafrechtelijke aanhouding, omdat de politie twijfelde aan zijn verblijfsrechtelijke status. Volgens eiser was er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf en werd de Wet op de identificatieplicht oneigenlijk gebruikt. De rechtbank oordeelde echter dat de aanhouding een strafrechtelijke aanleiding had, namelijk het reizen zonder geldig vervoersbewijs, en dat de politie correct handelde op grond van artikel 447e Sr en de Wet ID.

De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen reden voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg en is openbaar bekendgemaakt op 16 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5507

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn: eiser (met behulp van een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Was de aanhouding van eiser onrechtmatig en verkapt vreemdelingenrechtelijk?
1. Eiser voert aan dat het optreden van de politie in werkelijkheid een vreemdelingenrechtelijke staandehouding was, terwijl dit is gepresenteerd als een strafrechtelijke aanhouding. Volgens eiser was het handelen van de verbalisanten ingegeven door twijfel over zijn verblijfsrechtelijke status en het voornemen hem in vreemdelingenbewaring te stellen. Dit handelen moet worden getoetst aan de Vw 2000. Er was geen sprake van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf ten tijde van de aanhouding. De Wet op de identificatieplicht (Wet ID) is oneigenlijk gebruikt om een vreemdelingenrechtelijk doel te bereiken. Daarom zijn volgens eiser de aanhouding en alles wat daarna is gebeurd onrechtmatig.
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de aanhouding van eiser een strafrechtelijke aanleiding heeft. Uit het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en afgesloten op 9 februari 2026 volgt dat de verbalisanten een melding kregen om naar het centraal station van [plaats] te gaan. Aldaar had personeel van VCNS, medewerkers Veiligheid en Service, twee mannen staande gehouden die zich niet konden legitimeren. De aanleiding voor de controle voor deze jongens was dat ze met de trein reisden zonder geldig vervoersbewijs. Hierdoor voerde VCNS een identiteitscontrole uit maar zonder resultaat. Beide personen konden geen geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbieden. Hierdoor werden de verbalisanten ter plaatse gevraagd om de identiteit van beide personen vast te stellen. Eiser kon zich vervolgens niet legitimeren, waarna hij op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 van Pro de Wet ID is aangehouden. Dat tijdens deze controle is gebleken dat eiser als verwijderbaar stond geregistreerd en dat de verbalisanten overleg hebben gehad met de hulpofficier van justitie en de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) leidt niet tot een ander oordeel. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de medewerker van AVIM tegen de verbalisanten heeft gezegd dat eiser in meerdere landen verschillende namen opgeeft en dat de verbalisanten daarom niet wisten met wie ze te maken hadden en dat daarom is besloten tot aanhouding. Dit maakt niet dat de aanhouding een vreemdelingenrechtelijke staandehouding was. Anders dan eiser stelt volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van 31 januari 2026 niet dat op het station al was besloten om eiser in vreemdelingenbewaring te stellen. Zoals de minister ter zitting heeft toegelicht, was het reizen zonder geldig vervoersbewijs de feitelijke aanleiding voor het optreden van de verbalisanten. De aanhouding had dus een strafrechtelijke aanleiding en is daarom geen verkapte vreemdelingenrechtelijke staandehouding. De vreemdelingenrechter oordeelt alleen over het gebruik van bevoegdheden toegekend bij of krachtens de Vw 2000. [1] Daarom mag de rechtbank niet beoordelen of de aanhouding onrechtmatig is geweest.
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
2. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, in aanwezigheid van
mr.N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ABRvS 20 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5013, ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190 en ABRvS 8 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2400.
2.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).