Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2965

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL25.27562
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 lid 2 AwbArt. 46 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep niet tijdig beslissen asielaanvraag ongegrond verklaard

De zaak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 5 november 2025, waarin het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank had geoordeeld dat opposant niet aan de wettelijke vereiste had voldaan om het bestuursorgaan rechtsgeldig in gebreke te stellen, omdat de schriftelijke ingebrekestelling van 16 juli 2024 prematuur was ingediend.

Opposant stelde zich op het standpunt dat het nationale recht moest wijken voor het Unierecht en verwees naar arresten van het HvJEU, waaronder het [naam 1]-arrest en het FMS-arrest. De rechtbank oordeelde echter dat deze arresten geen invloed hebben op de in rechte vaststaande uitspraak van 27 februari 2025, waarin de prematuriteit van de ingebrekestelling werd vastgesteld.

De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is en dat de eerdere uitspraak terecht zonder zitting is gedaan op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27562 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant] , V-nummer: [V-nummer] , opposant

(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 5 november 2025 in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 5 november 2025 [1] waarin de rechtbank het beroep van opposant na vereenvoudigde behandeling (kennelijk) niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. Artikel 8:54 van Pro de Awb [2] biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening van het beroep als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of de rechtbank in de beroepsprocedure terecht tot vereenvoudigde behandeling van het beroep is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling beperkt is tot de vraag of er in de beroepszaak terecht zonder zitting uitspraak is gedaan. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 5 november 2025 het beroep van opposant tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag ‘kennelijk’ niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant bij het instellen van het beroep niet aan het wettelijk vereiste [3] voldeed dat hij beroep kan instellen nadat hij het bestuursorgaan rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Van de schriftelijke ingebrekestelling van 16 juli 2024 was namelijk in een eerdere uitspraak van de rechtbank van 27 februari 2025 geoordeeld dat deze prematuur was ingediend, omdat de beslistermijn op dat moment nog niet verstreken was.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. De verzetsgronden slagen dus niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 5 november 2025 terecht vastgesteld dat de uitspraak van zittingsplaats Groningen van 27 februari 2025 [4] in rechte vaststaat, en daarmee ook het daarin gegeven oordeel dat de ingebrekestelling van 16 juli 2024 prematuur was. Het beroep van opposant op het het [naam 1] -arrest [5] en op het arrest [naam 2] van 27 februari 2014 (zaaknummer C-82/12), punt 40-41, brengt daarin geen verandering. De gestelde terugwerkende kracht van het [naam 1] -arrest, waar opposant zich in verzet op beroept, heeft geen invloed op de in rechte vaststaande uitspraak van 27 februari 2025.
7. Opposant heeft in verzet verder gewezen op het arrest FMS van het HvJEU van 14 mei 2020 [6] , punt 199, en stelt zich op het standpunt dat het nationale recht moet wijken voor het Unierecht wanneer een definitieve uitspraak blijvende gevolgen heeft die in strijd zijn met het Unierecht. In het arrest FMS gaat het om een genomen terugkeerbesluit. De rechtbank ziet in deze verzetsgrond geen onderbouwing dat dit arrest ook gevolgen heeft voor beroepen tegen het niet tijdig beslissen op asielaanvragen. De uitspraak van zittingsplaats Groningen van 27 februari 2025 en het oordeel daarin dat de ingebrekestelling van 16 juli 2024 prematuur was, heeft geen blijvende gevolgen in de zin van het arrest. Opposant kan gewoon weer een nieuwe schriftelijke ingebrekestelling indienen als hij het besluit op zijn asielaanvraag niet kan of wil afwachten.
8. De rechtbank ziet in het verzet, gelet op het voorgaande, geen reden om aan te nemen dat de rechtbank in haar uitspraak van 5 november 2025 niet ervan heeft mogen uitgaan dat in rechte vaststaat dat de ingebrekestelling van 16 juli 2024 prematuur was. De rechtbank ziet in het beroep van opposant op artikel 46 van Pro de Procedurerichtlijn ook geen aanleiding om prejudiciële vragen over dit onderwerp te stellen.

Conclusie en gevolgen

9. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het beroep van opposant met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb zonder een zitting heeft mogen afdoen. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 13 februari 2026 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Algemene wet bestuursrecht
3.artikel 6:12, tweede lid, van de Awb
5.Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) 12 december 2024, C-662/23, ECLI:EU:C:2024:1028
6.ECLI:EU:C:2020:367