ECLI:NL:RBDHA:2026:2945

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL25.48601
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c Vreemdelingenwet 2000Art. 28 ProcedurerichtlijnArt. 3.45b Vreemdelingenvoorschrift
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag buiten behandeling gesteld wegens niet verschijnen bij nader gehoor zonder verschoonbare reden

Eiser, van Tunesische nationaliteit, diende op 4 september 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder stelde deze aanvraag buiten behandeling op 29 september 2025 omdat eiser niet was verschenen bij het nader gehoor op 12 september 2025 en geen verschoonbare reden had gegeven.

Eiser voerde aan dat hij niet voor een tweede keer was uitgenodigd en dat hij ziek was, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet verplicht was tot een tweede uitnodiging en dat eiser niet had aangetoond dat zijn afwezigheid niet aan hem was toe te rekenen.

De rechtbank vond het besluit niet in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, zorgvuldigheid, motivering of evenredigheid. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit bleef in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit om de asielaanvraag buiten behandeling te stellen wegens niet verschijnen zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48601

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2007. Op 4 september 2024 heeft hij zijn asielaanvraag in Nederland ingediend.
Bij besluit van 29 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Verweerder heeft daarnaast een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.48602, op 4 februari 2026 op zitting behandeld
.Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Het bestreden besluit
1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit omdat eiser niet is verschenen op het gehoor en hiervoor geen goede reden heeft gegeven.
Beroepsgronden
2. Eiser voert aan dat hij in strijd met artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, niet voor een tweede maal is uitgenodigd. Voor zover verweerder meent dat het voornemen wordt gezien als een tweede gelegenheid om te voldoen aan een informatieverzoek, stelt eiser dat het voornemen slechts een procedurele stap is, maar geen verzoek om informatie zoals bedoeld in artikel 3.45b van het Vreemdelingenvoorschrift (VV). Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser erkend dat de asielaanvraag van eiser niet op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw buiten behandeling is gesteld. Ondanks dat meent eiser dat hij op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur een tweede keer uitgenodigd had moeten worden.
Eiser voert verder aan dat het verschoonbaar is te achten dat hij niet is verschenen voor het nader gehoor. Hij was immers ziek en had dat gemeld bij het COa. Verweerder had hem bovendien een reële kans moeten geven om uit te leggen waarom hij er niet was. Het is dan niet voldoende dat eiser in de zienswijze de mogelijkheid had om deze toelichting te geven. Eiser doet hierbij een beroep op de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 12 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1523.
Het bestreden besluit is volgens eiser in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel tot stand gekomen.
Tot slot voert eiser aan dat het terugkeerbesluit vernietigd dient te worden, nu het bestreden besluit geen stand kan houden.
Beoordeling door de rechtbank
3. Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd buiten behandeling worden gesteld in de zin van artikel 28 van Pro de Procedurerichtlijn, indien een vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser per brief op 14 augustus 2025 is uitgenodigd voor de start van zijn asielprocedure op 12 september 2025. Niet ter discussie staat dat eiser niet is verschenen voor deze afspraak. Nadien heeft de gehoormedewerker contact gezocht met het COa, die per e-mail heeft laten weten dat eiser had verklaard dat hij zich niet lekker voelde. Op diezelfde dag, 12 september 2025, heeft verweerder het voornemen uitgebracht om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen. Eiser heeft hierop geen zienswijze ingediend. Op 29 september 2025 heeft verweerder de asielaanvraag buiten behandeling gesteld.
5. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder, anders dan eiser meent, niet gehouden was om eiser voor een tweede keer uit te nodigen voor zijn gehoor. Verweerder heeft de asielaanvraag immers op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, buiten behandeling gesteld. Hierbij geldt niet de voorwaarde dat de vreemdeling ten minste tweemaal moet worden uitgenodigd indien deze niet op het aanmeldgehoor verschijnt en toerekenbaar heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken over de elementen ter staving van zijn aanvraag. Het gehoor waar eiser niet is verschenen betrof immers geen aanmeldgehoor, maar een nader gehoor. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het in dit geval in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur om eiser niet alsnog voor een tweede keer uit te nodigen.
6. Met verweerder is de rechtbank verder van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat het niet verschijnen op het nader gehoor op 12 september 2025 niet aan hem was toe te rekenen. Hierbij vindt de rechtbank van belang dat eiser zich niet uit eigen beweging, voorafgaand aan het nader gehoor, heeft afgemeld bij verweerder. Nu eiser niet met medische stukken heeft onderbouwd dat hij wegens ziekte verhinderd was en ook anderszins geen verschoonbare reden heeft gegeven voor zijn afwezigheid, is verweerder terecht ervan uitgegaan dat eiser niet heeft aangetoond dat het niet verschijnen niet aan hem was toe te rekenen. Een beroep in dit kader op de uitspraak van 12 februari 2024 kan eiser niet baten. Anders dan in het geval van eiser, had de vreemdeling in die zaak geen termijn van twee weken gekregen om aan te tonen dat zijn afwezigheid verschoonbaar was, nu verweerder in die zaak al twee dagen na het nader gehoor waar de vreemdeling niet was verschenen had besloten de asielaanvraag buiten behandeling te stellen. Eiser heeft daarentegen ruim veertien dagen de tijd gehad om toe te lichten waarom hij niet verschenen was. Dat had gekund door een zienswijze in te dienen of anderszins.
7. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel tot stand is gekomen. Verweerder mocht van eiser meer verwachten dan de enkele mededeling aan het COa, nadat verweerder daar naar had gevraagd, dat hij zich niet zo lekker voelde.
8. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel tot stand is gekomen. Weliswaar zal er in deze procedure geen inhoudelijke beoordeling van zijn asielrelaas plaatsvinden, maar het staat eiser vrij om opnieuw een asielaanvraag in te dienen. Bovendien heeft eiser de kans gehad om de verschoonbaarheid zijn afwezigheid te onderbouwen, maar hij heeft dat, door bijvoorbeeld geen zienswijze in te dienen, nagelaten.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op bovenstaande overwegingen, de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, buiten behandeling kunnen stellen. Verweerder was vervolgens gehouden om een terugkeerbesluit op te leggen. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.