Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 6 april 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister moest binnen zes maanden beslissen, maar verlengde aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden onder een besluitmoratorium dat later werd ingetrokken. Hierdoor gold weer een beslistermijn van zes maanden. De totale termijn van 21 maanden werd overschreden zonder dat de minister een besluit nam.
Eiser stelde de minister op 28 oktober 2025 schriftelijk in gebreke, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank houdt rekening met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en stelt een nadere beslistermijn van acht weken vast.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Ook veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,- vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 15 januari 2026.