ECLI:NL:RBDHA:2026:2754

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
NL25.48494
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 EVRMArt. 3.48, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 29, eerste lid, aanhef en onder b, VreemdelingenwetRichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag minderjarige uit Angola wegens gebrekkige belangenafweging en onvoldoende voortvarendheid onderzoek opvang

Eiseres, een minderjarige van Angolese nationaliteit, diende op 3 oktober 2023 een asielaanvraag in die door de minister op 29 september 2025 werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat het besluit meerdere gebreken vertoont, waaronder een onjuiste belangenafweging en onvoldoende voortvarendheid bij het onderzoek naar adequate opvang in Angola.

De minister erkende aanvankelijk het bestaan van familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar tante, maar stelde in het besluit dat dit niet was aangetoond. In het verweerschrift nam de minister een ander standpunt in, wat de rechtbank onrechtmatig achtte omdat dit niet in het besluit was meegenomen. De rechtbank beoordeelde de belangenafweging alsnog en concludeerde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van eiseres, zoals haar hechte band met haar tante en haar ontwikkeling in Nederland.

Verder stelde eiseres dat zij bij terugkeer naar Angola een reëel risico loopt op ernstige schade, maar de rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd. Wel oordeelde de rechtbank dat het onderzoek naar adequate opvang in Angola niet voortvarend genoeg was uitgevoerd, waardoor eiseres onnodig lang in onzekerheid verkeert over haar verblijfsstatus.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens veroordeelt zij de minister tot betaling van de proceskosten van €1.814,- aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48494

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,geboren op [geboortedatum] ,van Angolese nationaliteit, V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. H. Postma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat het bestreden besluit meerdere gebreken bevat. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen. Ook legt de rechtbank uit welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 3 oktober 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de jeugdbeschermer van Nidos, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij bij terugkeer naar Angola een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarnaast is er sprake van een beschermenswaardig familieleven tussen eiseres en haar ‘tante’. Haar moeder heeft haar bij deze tante achtergelaten. Inmiddels verblijft eiseres al ruim twee jaar bij haar en hebben zij een hechte band opgebouwd. Daarnaast heeft zij in de afgelopen periode een privéleven opgebouwd in Nederland. Ze gaat hier naar school, spreekt de Nederlandse taal en heeft vriendinnen gemaakt.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister het volgende asielmotief:
1. Identiteit, nationaliteit, herkomst.
4.1.
De minister vindt het asielmotief geloofwaardig, maar wijst de asielaanvraag alsnog af. Volgens de minister is niet gebleken dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Verder stelt de minister zich in het besluit op het standpunt dat eiseres de familierechtelijke relatie met haar tante niet heeft aangetoond. De minister komt daarom in het besluit niet toe aan de verdere toets van familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Tot slot is de afwijzing van de aanvraag volgens de minister niet in strijd met het privéleven van eiseres. Het belang van de Nederlandse staat weegt zwaarder dan eiseres haar belangen.
4.2.
In het verweerschrift heeft de minister zich alsnog op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en haar tante sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister verklaard dat voor deze werkwijze is gekozen in het kader van de finale geschilbeslechting. Volgens de minister zijn alle belangen voldoende in kaart gebracht. Eiseres opnieuw in de gelegenheid stellen standpunten in te brengen zou het uiteindelijke besluit op de asielaanvraag niet anders maken.
Kan de minister in het verweerschrift een ander standpunt innemen?
5. Eiseres voert aan dat de minister zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij de familierechtelijke relatie tussen haar en haar tante niet heeft aangetoond.
5.1.
De beroepsgrond slaagt, alleen al omdat de minister dit standpunt in het verweerschrift niet langer handhaaft. De minister heeft in het verweerschrift hierover een ander standpunt ingenomen, namelijk dat wel sprake is familie- of gezinsleven. De minister heeft bovendien alsnog een belangenafweging gemaakt. Het beroep is alleen hierom al gegrond en de rechtbank zal het besluit vernietigen. Omdat de minister in het verweerschrift alsnog een belangenafweging heeft gemaakt en eiseres daarop schriftelijk en op de zitting heeft gereageerd, zal de rechtbank de belangenafweging in het kader van de finale geschilbeslechting beoordelen. De rechtbank bespreekt in dat kader ook de overige beroepsgronden van eiseres.
Reëel risico op ernstige schade
6. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat zij bij terugkeer naar Angola geen risico loopt op ernstige schade. Eiseres wijst hierbij op een rapport [1] waaruit blijkt dat 38% van de kinderen in Angola aan ondervoeding lijdt. De moeder van eiseres heeft eiseres bij haar tante achtergelaten en zij weet nu niet waar haar moeder is. Gelet op haar leeftijd kan zij nog niet voor zichzelf zorgen. Verder zal het haar aan kleding, onderwijs en hygiëne ontbreken. Dit zal schadelijk zijn voor de gezondheid en ontwikkeling van eiseres en leiden tot onmenselijke en vernederende behandelingen. Het Hof van Justitie [2] heeft bepaald dat het terechtkomen in een toestand van zeer vergaande materiële deprivatie, die een persoon niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften en negatieve gevolgen heeft voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling brengt die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid, een behandeling is die in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Onder ernstige schade valt de doodstraf of executie, folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen en ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van een willekeurig conflict. [3] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht gesteld dat hetgeen eiseres op wijst in het overgelegde rapport, niet hieronder valt. Ook is door eiseres onvoldoende onderbouwd dat zij bij terugkeer terecht zou komen in een toestand van zeer vergaande materiële deprivatie. Eiseres heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Angola een reëel risico loopt op ernstige schade.
Belangenafweging
7. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte de belangenafweging niet in haar voordeel heeft laten uitvallen. Zo stelt de minister dat het in het belang van eiseres is om bij haar biologische moeder te verblijven, omdat zij in Angola altijd bij haar moeder woonde en door haar werd verzorgd. Hiertoe wijst eiseres erop dat haar moeder regelmatig een paar dagen weg bleef en zij dan alleen thuis was. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat het voelde alsof ze alleen leefde in Angola. Sinds ze is achtergelaten door haar moeder heeft ze niks meer van haar gehoord. Eiseres voelt zich niet welkom bij haar moeder. Eiseres is opgenomen in het gezin van haar tante en hier kan ze op een warme en veilige manier worden opgevoed. Dit familieleven kunnen eiseres en haar tante niet uitoefenen in Angola. De minister heeft ook een objectieve belemmering aangenomen voor de tante om daar te wonen. Volgens eiseres heeft de minister hier onvoldoende gewicht aan toegekend. Zij wijst hierbij op het beleid van de minister [4] waarin staat dat aan het bestaan van een objectieve belemmering in beginsel veel gewicht toekomt. Daarnaast heeft de minister ten onrechte overwogen dat eiseres ten laste zou komen van de Nederlandse staat. Op de zitting heeft eiseres verklaard dat haar tante een goede baan heeft. Verder wijst eiseres op het verslag van Nidos. Hierin staat dat het van belang is dat eiseres zich kan blijven ontwikkelen zoals ze nu doet, in het gezin van haar tante. De afgelopen twee jaar heeft eiseres zich erg goed ontwikkeld. Zij gaat hier naar school (3 Vwo), spreekt vloeiend de Nederlandse taal en heeft vriendinnen gemaakt. Verder houdt zij zich bezig met buitenschoolse activiteiten zoals zwemles en dansen. Eiseres voelt zich sterk verbonden met Nederland en terugkeer naar Angola is niet in haar beste belang.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar tante. Daarnaast is ook niet in geschil dat eiseres privéleven heeft opgebouwd in Nederland. De vraag is of de minister het belang van de Nederlandse staat zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van eiseres. Uit vaste rechtspraak volgt dat de minister bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van Pro het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. [5] Daarbij moet hij alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken.
7.2.
Eiseres is minderjarig. De rechtbank overweegt dat bij alle maatregelen die kinderen betreffen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. [6] Die belangen hoeven op zichzelf niet doorslaggevend te zijn, maar er dient wel veel gewicht aan toe te komen. Dit betekent dat het belangrijk is om de belangen van eiseres volledig en grondig in kaart te brengen en te betrekken bij het besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat onvoldoende gedaan.
7.3.
In de belangenafweging heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een objectieve belemmering om het familieleven tussen eiseres en haar tante voort te zetten in Angola. De tante heeft immers een verblijfsvergunning in Nederland en kan niet met haar kinderen naar Angola reizen. Volgens het beleid van de minister [7] komt aan het bestaan van een objectieve belemmering in beginsel veel gewicht toe. In de belangenafweging zal goed moeten worden gemotiveerd waarom de verblijfsweigering niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister hier niet in geslaagd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat hoewel het familieleven tussen eiseres en haar tante is aangegaan tijdens onzeker verblijf, dit niet is gebeurd tijdens illegaal verblijf.
7.4.
Ook stelt de minister dat het in het belang van eiseres is om bij haar biologische moeder te verblijven, nu zij in Angola altijd bij haar heeft gewoond en door haar werd verzorgd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hier onvoldoende bij betrokken dat eiseres heeft verklaard dat haar moeder in Angola regelmatig dagen weg was en haar alleen achterliet. Eiseres verklaart dat zij zich niet meer welkom voelt bij haar moeder en zich bij haar tante in Nederland thuis voelt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het toch in het beste belang van eiseres is om met haar moeder herenigd te worden in Angola. Daar komt nog bij dat in het onderzoek naar adequate opvang eiseres haar moeder nog niet is gevonden. Hier zal de rechtbank later in deze uitspraak op ingaan.
7.5.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank concludeert dat de minister de af te wegen belangen niet goed in kaart heeft gebracht. De minister moet een nieuwe belangenafweging maken. Hierbij moet de minister rekening houden met wat hiervoor is overwogen. Ook moet de minister hierbij betrekken dat eiseres ter zitting heeft verklaard dat haar tante een goede baan heeft. In een nieuw te verrichten belangenafweging kan de minister er daarom niet zonder meer vanuit gaan dat de tante niet in eiseres haar kosten voor onderwijs en gezondheidszorg kan voorzien.
Onderzoek naar adequate opvang
8. Tot slot voert eiseres aan dat de minister haar ten onrechte geen reguliere vergunning heeft verleend op grond van het buitenschuldbeleid voor minderjarige vreemdelingen. Ten tijde van de asielaanvraag was eiseres dertien jaar oud. Zij heeft geloofwaardige verklaringen afgelegd over haar identiteit, nationaliteit, ouders en andere familieleden. Uit deze verklaringen blijkt dat er geen familieleden of andere personen in Angola zijn die haar adequate opvang kunnen bieden. Eiseres weet immers niet waar haar moeder is. Verder heeft eiseres het inmiddels ruim twee jaar durende onderzoek naar adequate opvang ook niet gefrustreerd.
8.1.
Ten aanzien van de voortvarendheid van het onderzoek naar adequate opvang, stelt de rechtbank voorop dat de Afdeling in een drietal uitspraken [8] heeft uiteengezet wat de gevolgen zijn van het arrest T.Q. [9] In deze uitspraken is geoordeeld dat de minister zo spoedig mogelijk na het indienen van een asielverzoek door een alleenstaande minderjarige moet onderzoeken of er in het land van herkomst adequate opvang beschikbaar is. De minister moet ernaar streven om dit onderzoek tijdens de beoordeling van de asielaanvraag af te ronden, maar mag een besluit op de asielaanvraag loskoppelen van een besluit over terugkeer als dit onderzoek op dat moment nog niet is afgerond. Voorop staat echter dat de minister voortvarend handelt en zo spoedig mogelijk duidelijkheid geeft over de verblijfsrechtelijke status van de alleenstaande minderjarige. Daarom moet de minister in dergelijke gevallen bij het afwijzen van een asielaanvraag motiveren waarom hij geen terugkeerbesluit uitvaardigt. Als blijkt dat er geen sprake is van adequate opvang in het land van herkomst, moet de minister een reguliere verblijfsvergunning verlenen. [10]
8.2.
De Afdeling heeft in deze uitspraken ook geoordeeld dat een termijn van drie jaar na indiening van de asielaanvraag voor het onderzoek naar adequate opvang hoe dan ook te lang is. [11] De minister is namelijk gehouden om voortvarend te handelen, om de periode waarin de vreemdeling in onzekerheid verkeert over zijn verblijfsstatus zo kort mogelijk te houden en de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn [12] om een doeltreffend terugkeer- en verwijderingsbeleid te voeren te waarborgen. De vreemdeling is daarnaast gehouden zijn volledige medewerking aan het onderzoek te verlenen.
8.3.
De rechtbank stelt vast dat eiseres op 3 oktober 2023 asiel heeft aangevraagd.
Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat het onderzoek inmiddels is opgestart, maar dat er nog geen uitkomst is. De gemachtigde van de minister kon niet aangeven wanneer er resultaat van het onderzoek verwacht kan worden. Op de zitting is duidelijk geworden dat er voor het onderzoek tot nu toe één gesprek heeft plaatsgevonden eind 2025.
8.4.
De beroepsgrond slaagt. Inmiddels is het bijna 2 jaar en 4 maanden geleden dat eiseres haar asielaanvraag heeft ingediend. De minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke onderzoekshandelingen DT&V nog wil verrichten en hoe lang ze verwachten daarmee bezig te zijn. Er is geen enkel zicht op afronding van het onderzoek. Met de hiervoor omschreven handelwijze heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voortvarend gehandeld en eiseres onnodig lang in onzekerheid laten verkeren over haar verblijfsstatus.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit meerdere gebreken bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan de minister om opnieuw af te wegen of opnieuw deugdelijk te onderzoeken en te motiveren of alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 29 september 2025;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van
mr.M. Veenstra – van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Annual report on the human rights situation in 2024.
2.Zie Jawo (ECLI:EU:C:2019: 218) en Ibrahim (ECLI:EU:C:2019:219).
3.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet.
4.WI 2020/16, p. 23.
6.Artikel 3, eerste lid, Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
7.WI 2020/16, p. 23.
9.Zie ECLI:EU:C:2021:9.
10.Zie artikel 3.48, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en onderdeel B8/6 van de Vc.
11.Zie ECLI:NL:RVS:2022:1530, r.o. 19.2
12.Richtlijn 2008/115/EG.