ECLI:NL:RBDHA:2026:273

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
NL25.53825 en AWB 25.21287
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwopArt. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel COA

Eiser heeft twee beroepen ingesteld: tegen het besluit van het COa om hem te plaatsen in de HTL te Hoogeveen en tegen de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister. Op 14 oktober 2025 heeft eiser de HTL vrijwillig verlaten en afgezien van opvang, waarna de minister de maatregel heeft opgeheven.

De rechtbank heeft op 18 december 2025 de beroepen behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat zijn gemachtigde geen contact meer met hem onderhoudt en niet weet waar hij verblijft. Dit betekent dat er geen procesbelang bestaat om de beroepen te behandelen.

Op grond van vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die zonder mededeling vertrekt geen prijs meer stelt op bescherming, tenzij anders blijkt uit contact met de gemachtigde. Omdat dit niet het geval is, verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk en ziet af van inhoudelijke beoordeling en proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.53825 en AWB 25/21287

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2026 in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 12 oktober 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 12 oktober 2025 in de HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). [2] Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 12 oktober 2025 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [3] op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). Door eiser is verzocht om een schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 14 oktober 2025 de HTL vrijwillig verlaten en afgezien van opvang bij het COa. De minister heeft de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel met ingang van 14 oktober 2024 daarom opgeheven.
1.2.
Eiser heeft op 3 november 2025 een beroepschrift ingediend. Het COa heeft op 5 december 2025 een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 december 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij een beoordeling van zijn beroepen. In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.
2.1.
Uit vaste rechtspraak [4] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling, die in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit dient te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet waar een vreemdeling verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 14 oktober 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 17 november 2025 heeft de rechtbank daarom voorafgaand aan de zitting de gemachtigde van eiser schriftelijk verzocht om aan te geven of zij nog contact met eiser onderhoudt. Bij schrijven van 26 november 2025 heeft de gemachtigde aangegeven dat zij geen contact meer heeft met eiser en dat het haar ook niet bekend is waar eiser momenteel verblijft. Eiser en gemachtigde waren ook niet op de zitting aanwezig, waardoor de rechtbank niet heeft kunnen achterhalen wanneer gemachtigde het contact met eiser heeft verloren. Dit laatste komt voor rekening en risico van de gemachtigde. Gelet op dit alles gaat de rechtbank uit van 14 oktober 2025, als datum waarop ook de gemachtigde geen contact meer heeft met eiser en niet weet waar hij verblijft. Deze datum ligt voor het indienen van het beroepschrift. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat er vanaf aanvang geen procesbelang is om de beide zaken te beoordelen.
2.3.
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk en ziet daarom af van een verdere beoordeling van de bestreden besluiten en de daartegen aangevoerde beroepsgronden. De rechtbank ziet in het voorgaande ook geen aanknopingspunten voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor het indienen van het beroepschrift.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, op 8 januari 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.