ECLI:NL:RBDHA:2026:2609

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
25.48969
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Spanje

Eiseres, van Ethiopische nationaliteit, diende op 23 juni 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Spanje verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, mede omdat eiseres in het bezit was van een geldig Spaans visum. Nederland deed een verzoek tot overname aan Spanje, dat werd aanvaard.

Eiseres voerde aan dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met haar persoonlijke ervaringen in Spanje, waaronder onveilige opvang en bedreigingen door Ethiopische netwerken, en dat de overdracht aan Spanje een onevenredige hardheid opleverde. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje en dat eiseres onvoldoende had onderbouwd dat zij geen toegang had tot de asielprocedure of opvang in Spanje.

Verder stelde de rechtbank dat de omstandigheden die eiseres aanvoerde niet voldoende bijzonder waren om de overdracht aan Spanje te weigeren op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister hoefde geen nader onderzoek te doen naar psychische klachten omdat eiseres dit niet met medische gegevens had onderbouwd. Ook de relatie die eiseres in Nederland had aangegaan was onvoldoende om de aanvraag alsnog in behandeling te nemen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiseres geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48969

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. C. Huy),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres stelt van Ethiopische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (NL25.48970) op 6 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] Eiseres heeft op 23 juni 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Uit EU-Vis is gebleken dat eiseres op het moment van haar aanvraag in het bezit is van een geldig visum afgegeven door de Spaanse autoriteiten. Daarom heeft Nederland op 18 augustus 2025 bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 28 augustus 2025 aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. Eiseres voert aan dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende en ondeugdelijke gemotiveerd heeft gesteld dat in haar geval de bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid zoals bedoeld in het arrest Jawo [2] niet wordt bereikt. In het besluit is onvoldoende rekening gehouden met de combinatie van concrete persoonlijke ervaringen van eiseres, de structurele tekortkomingen in de Spaanse opvang en asielprocedure en de actieve dreiging door Ethiopische netwerken. Eiseres is in Spanje aan haar lot overgelaten, de opvang was overvol en onveilig.
4.1.
De rechtbank overweegt dat de minister ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, zoals ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 november 2025 [3] .
4.2.
Ook in hetgeen eiseres heeft aangevoerd over haar eerdere ervaringen in Spanje ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft onderbouwd dat zij in Spanje geen toegang heeft gekregen tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Bovendien heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat zij in een kamer met zowel mannen als vrouwen werd geplaatst niet maakt dat sprake is van een situatie die de hoogwaardige drempel van het arrest Jawo bereikt. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat wanneer Spanje zich niet houdt aan geldende richtlijnen, dat geen reden is om eiseres niet over te dragen. Eiseres dient zich bij voorkomende problemen namelijk in Spanje te wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten. Er is niet gebleken dat de autoriteiten van Spanje eiseres niet zouden kunnen of willen helpen. Uit het door eiseres overgelegde screenshot blijkt juist dat haar hulp is aangeboden. Ook is niet gebleken dat het voor eiseres niet mogelijk is om te klagen. Tot slot heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres zich met betrekking tot de Ethiopische informanten die in Spanje actief zouden zijn -hetgeen zij niet heeft onderbouwd met bijvoorbeeld objectieve landeninformatie- tevens kan wenden tot de Spaanse autoriteiten en dat niet is gebleken dat deze eiseres niet zouden willen of kunnen helpen.
4.3.
Het beroep van eiseres op de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 8 juli 2025 [4] kan haar ook niet baten. Anders dan in die uitspraak heeft eiseres in deze zaak namelijk geen persoonlijke ervaringen met de opvangvoorzieningen en toegang daartoe in Spanje. Eiseres heeft geen asielaanvraag ingediend in Spanje en is tevens niet eerder als Dublinclaimant overgedragen aan Spanje. De zaak van eiseres is dus niet vergelijkbaar met de zaak waar zij zich op beroept. Bovendien mag de minister, zoals hiervoor al is overwogen, ten aanzien van Spanje nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan.
4.4.
Daarmee is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende deugdelijk gemotiveerd dat in het geval van eiseres van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
5. Eiseres voert voorts aan dat de minister haar asielaanvraag alsnog in behandeling dient te nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat overdracht onevenredige hardheid oplevert. Eiseres voelde zich tijdens haar verblijf in een overvolle opvang onveilig. Tevens is zij in Spanje bedreigd door een Ethiopische man die zich voordeed als parlementslid, waarbij hij haar telefoon heeft afgepakt. De politie in Spanje heeft daarbij expliciet verklaard geen verantwoordelijkheid voor haar veiligheid te kunnen dragen. Daarbij komt dat haar (politieke) werkzaamheden en mediaoptredens in Ethiopië haar extra kwetsbaar maken. Haar ervaringen in Spanje -waarbij haar telefoon is afgepakt en zij is bedreigd- bevestigen dat er Ethiopische netwerken actief zijn in Spanje en dat Spanje hiertegen geen adequate bescherming bieden.
5.1.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 17 van Pro de Dublinverordening volgt dat een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in deze verordening. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) maakt de minister terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen in ieder geval indien sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiseres aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt. De omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd -dat zij zich niet veilig voelde zowel in de opvang alsmede vanwege de gestelde lange arm van de Ethiopische overheid – zijn niet voldoende bijzonder en onvoldoende onderbouwd om van de overdracht aan Spanje af te zien vanwege een onevenredige hardheid. Dit is ook gemotiveerd gesteld in het bestreden besluit, waarbij is ingegaan op de eiseres overgelegde screenshots en videofragmenten. Daarbij is betrokken dat eiseres zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de Spaanse autoriteiten en dat niet is gebleken dat deze niet zouden kunnen of willen helpen. Het is verder aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij psychische klachten heeft naar aanleiding van de gebeurtenissen in Spanje. Zij heeft niet met medische gegevens onderbouwd dat hiervan sprake is, terwijl dit -ondanks de korte duur van verblijf- wel van eiseres verwacht mag worden. De minister is daarom niet gehouden (nader) onderzoek in te stellen. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook op het standpunt mogen stellen dat de asielmotieven van eiseres geen bijzondere omstandigheid zijn om de asielaanvraag aan zich te trekken.
5.3.
Eiseres heeft tot slot gesteld dat zij met iemand in Nederland een relatie is aangegaan.
5.4.
De minister heeft zich hierover naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat deze enkele stelling, waarbij niet duidelijk is met wie en sinds wanneer zij deze relatie is aangegaan, niet maakt dat de minister de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening zou dienen te behandelen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B.H. Hebbink, rechter, in aanwezigheid van
mr.drs. B.E.C. Bertens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 januari 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.ECLI:EU:C:2019:13134.