ECLI:NL:RBDHA:2026:259

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
NL25.8711
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een terugkeerbesluit in het kader van het recht op gezinsleven onder artikel 8 EVRM

Op 8 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. Eiser, een Iraanse man geboren in 1940, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 20 februari 2025, waarin zijn bezwaar ongegrond werd verklaard. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 17 december 2025 in Breda, waarbij eiser, zijn gemachtigde, een tolk en zijn dochter, die als referente fungeert, aanwezig waren. De rechtbank heeft eerder uitspraken gedaan op 5 januari 2024 en 11 november 2024, waarin eerdere terugkeerbesluiten werden vernietigd.

In de huidige zaak heeft de rechtbank beoordeeld of het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM, dat het recht op gezins- en privéleven waarborgt. De rechtbank concludeert dat er geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven is, omdat eiser pas sinds 2019 samenwoont met zijn dochter en niet financieel afhankelijk is van haar. De rechtbank heeft vastgesteld dat de noodzakelijke zorg ook in Iran beschikbaar is en dat eiser geen sociaal netwerk in Iran heeft aangetoond. De belangenafweging valt in het nadeel van eiser uit, omdat hij slechts drie jaar een verblijfsvergunning heeft gehad en sterkere banden met Iran heeft.

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is, ondanks een motiveringsgebrek, en dat de beroepsgrond van eiser niet slaagt. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten van €1.868 en het griffierecht van €194. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8711

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Voor het procesverloop voorafgaand aan het huidige bestreden besluit verwijst de rechtbank
naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 januari 2024 [1] en 11 november 2024. [2]
Met het besluit van 20 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder. Verder was aanwezig [referente], dochter van eiser tevens referente.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1940 en de Iraanse nationaliteit te hebben.
2. In de uitspraak van 5 januari 2024 is het beroep voor zover dit betrekking had op de toepassing van artikel 64 van de Vw [3] ongegrond verklaard. Wel is daarbij het aanvullend besluit van 26 oktober 2023, dat een terugkeerbesluit bevatte, vernietigd. In de uitspraak van 11 november 2024 is het latere aanvullend besluit van 8 februari 2024, dat ook een terugkeerbesluit bevatte, wederom vernietigd. Het bestreden besluit bevat wederom een terugkeerbesluit en gaat over de vraag of artikel 8 van het EVRM [4] daaraan in de weg staat. De beoordeling van de rechtbank in dit beroep kan daarom alleen nog gaan over de vraag of het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat geen sprake is van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven. Hierbij is van belang dat eiser pas sinds 2019 met referente samenwoont. Verder is niet gebleken dat eiser uitsluitend van zijn dochter afhankelijk is voor het verlenen van de noodzakelijke zorg. Uit het BMA-advies van 15 februari 2023 blijkt namelijk dat de noodzakelijke medische zorg in Iran ook beschikbaar is. Ook is niet onderbouwd dat eiser in Iran geen sociaal netwerk meer heeft. Daarnaast is geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn kleinkinderen. Verder valt de belangenafweging in het nadeel van eiser uit. Hierbij is van belang dat niet is gebleken dat eiser financieel van zijn dochter afhankelijk is en dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om gezinsleven uit te oefenen in Iran. Ook het economisch belang weegt in eisers nadeel mee, omdat hij een beroep zal doen op de sociale voorzieningen en zijn medicijnen momenteel betaald worden door stichting STIL. Tot slot wordt in het nadeel meegewogen dat eiser slechts drie jaar een verblijfsvergunning heeft gehad in Nederland en dat hij sterkere banden heeft met Iran.
4. Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit en voert daartoe aan dat ten onrechte geen beschermenswaardig familieleven is aangenomen. Verweerder heeft ten onrechte een belangenafweging gemaakt bij de vaststelling of sprake is van familie- of gezinsleven. De vaststelling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en of sprake is van familie of gezinsleven is namelijk een vaststelling van feitelijke aard. Het bestreden besluit is verder onvoldoende duidelijk, nu enerzijds vermeld wordt dat niet wordt aangenomen dat sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven, maar tegelijkertijd wel een belangenafweging wordt gemaakt. Gelet op de mantelzorg die eisers dochter verleent, is sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft bovendien een onjuist en te streng toetsingskader gehanteerd door te verlangen dat de zorg exclusief door de dochter wordt gegeven. Ook woont eiser samen met referente en is hij financieel afhankelijk van haar. Daarnaast is ten onrechte de belangenafweging in het nadeel van eiser uitgevallen. Verweerder heeft ten onrechte meegewogen dat geen sprake is van beschermenswaardig familieleven, omdat geen belangenafweging hoeft te worden gemaakt als daarvan geen sprake is. Hierbij verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling [5] van 27 maart 2024. [6] Verder is een restrictief toelatingsbeleid geen zelfstandig belang en kan dus niet in het nadeel van eiser meewegen. Daarnaast bestaat er wel een objectieve belemmering om gezinsleven uit te oefenen, nu de dochter van eiser een asielvergunning heeft gekregen, voordat zij de Nederlandse nationaliteit kreeg. Verder draagt de dochter de financiële zorg voor haar vader en eiser doet geen beroep op de openbare kas, omdat stichting STIL geen overheidsinstantie is. De zorgkosten van eiser bestaan uit het hebben van een verplichte zorgverzekering. Daarbij komt dat eiser door zijn leeftijd en slechte medische gezondheid slechts korte tijd een eventuele belasting zou zijn voor de Nederlandse economie. Het economische belang is daarom ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen. Tot slot is onvoldoende waarde gehecht aan de persoonlijke omstandigheden van eiser. Hierbij noemt eiser het feit dat hij bij zijn dochter inwoont, die de mantelzorg verleent, en dat zijn zoon in Nederland begraven ligt.
5. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven. Dit is ook deugdelijk gemotiveerd in het bestreden besluit, ondanks dat de motivering niet helder gestructureerd is. Alle elementen die in het kader van de belangenafweging zijn meegewogen kunnen worden overgenomen in het kader van de beoordeling of sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven. Verder overweegt verweerder dat de factoren niet voldoende zijn om aan te nemen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Zo is niet gebleken dat sprake is van financiële afhankelijkheid of praktische afhankelijkheid. Ook is de samenwoning onvoldoende, nu eiser langere tijd niet heeft samengewoond met zijn dochter en pas in 2019 bij haar is ingetrokken. Daarnaast wordt herhaald dat de noodzakelijke zorg ook door derden kan worden verleend. Verder wordt overwogen dat eiser langere tijd in Iran heeft verbleven en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daar geen sociaal netwerk heeft. Tot slot kan de omstandigheid dat eisers zoon in Nederland begraven ligt niet worden meegenomen in het kader van de vraag of tussen eiser en referente sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. De rechtbank stelt allereerst vast dat geen gronden gericht zijn tegen de vaststelling van verweerder dat geen hechte persoonlijke banden bestaan tussen eiser en zijn kleinkinderen. Dit is daarom niet in geschil en maakt geen deel uit van de verdere beoordeling van de rechtbank.
7. In artikel 8 van het EVRM is het recht op gezins- en privéleven neergelegd. In het geval van een ouder en een meerderjarig kind is sprake van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van dit artikel als tussen hen een emotionele band bestaat met bijkomende elementen van afhankelijkheid (
additional elements of dependancy involving more than the normal emotional ties). Of een dergelijke band aanwezig is, moet van geval tot geval worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feitelijke omstandigheden. Daarbij mag geen doorslaggevend gewicht worden toegekend aan de vraag of sprake is van exclusieve afhankelijkheid. Dit staat in de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003.
8. Anders dan voorheen, hoeft geen verdere belangenafweging te worden gemaakt wanneer na een volledige beoordeling blijkt dat geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven. Dit staat in de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
9. Eiser wordt gevolgd in zijn stelling dat in het bestreden besluit onvoldoende duidelijk is gemotiveerd of de daarin besproken feiten en omstandigheden zijn meegewogen in het kader van de vaststelling of sprake is van beschermenswaardig familieleven of in het kader van een belangenafweging. Een inzichtelijke weergave van het toepasselijke toetsingskader ontbreekt. In het verweerschrift heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank echter voldoende toegelicht dat de overwegingen in het bestreden besluit over de genoemde feiten en omstandigheden van belang zijn voor de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dus of tussen eiser en referent beschermenswaardig familieleven moet worden aangenomen. Het motiveringsgebrek leidt daarom niet tot een gegrond beroep.
10. Anders dan eiser stelt, is de vaststelling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet slechts een feitenvaststelling. Hierbij dient namelijk ook te beoordeeld of de feiten en omstandigheden voldoende zwaarwegend zijn om te kunnen spreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
11. Niet in geschil is dat eiser medische problemen heeft en daarvoor mantelzorg nodig heeft en krijgt. Uit het BMA-advies van 15 februari 2023 blijkt echter dat de noodzakelijke zorg ook in Iran beschikbaar is en door derden kan worden verleend. Eiser heeft niet gesteld dat de situatie ten tijde van het bestreden besluit (wezenlijk) is veranderd. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de medische problemen op zichzelf niet voldoende zwaarwegend zijn. Dat verweerder dit van belang heeft geacht, betekent niet dat exclusieve zorg door referente als vereiste is gesteld. Deze omstandigheid is alleen betrokken bij de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
12. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij financieel afhankelijk is van referent of dat het niet mogelijk is om eiser op afstand financieel te ondersteunen.
13. Daarnaast heeft verweerder terecht overwogen dat eiser slechts korte tijd met referente samenwoont en dat het enkele samenwonen onvoldoende zwaarwegend is. Hierbij is van belang dat eiser zelf de keuze heeft gemaakt om voor langere tijd terug te keren naar Iran. Daarbij komt dat eiser niet heeft gesteld of onderbouwd dat hij in Iran geen familieleden, vrienden of anderen heeft die hem kunnen helpen. Dat een zoon van eiser in Nederland begraven ligt heeft verweerder niet hoeven meewegen, omdat deze omstandigheid geen betrekking heeft op de relatie tussen eiser en referent.
14. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en referente geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dat daarom geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM wordt aangenomen. De beroepsgrond die zich richt tegen de belangenafweging slaagt niet, omdat verweerder niet gehouden was een belangenafweging te maken.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
16. Omdat sprake is van een motiveringsgebrek krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). [7] Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van €1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.
.
Deze uitspraak is gedaan op 8 januari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.ECLI:NL:2024:1187.
7.De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld.