ECLI:NL:RBDHA:2026:2529

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694549 / FA RK 25-8580
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling alimentatie voor jong-meerderjarige met MBO-opleiding na inkomensdaling vader

De jong-meerderjarige, wonende bij haar moeder en volgzaam een MBO-opleiding, verzocht de rechtbank om vaststelling van haar alimentatie op €550 netto per maand. De rechtbank beoordeelde de behoefte op basis van de WSF-normen en de stagevergoeding, wat resulteerde in een behoefte van circa €610 per maand.

De vader heeft sinds augustus 2025 een WW-uitkering na ontslag, met een inkomensdaling van 30%. Hij ontving ontslagvergoedingen die dienen ter compensatie van inkomensverlies voor een jaar. De rechtbank oordeelde dat de vader niet verwijtbaar werkloos is geworden en baseerde de draagkrachtberekening op zijn inkomen over 2024, met een netto belastbaar inkomen van €3.810 per maand.

Rekening houdend met woonlasten en toekomstige woonkosten, werd de draagkracht van de vader berekend op €950 per maand. Aangezien de vader ook kinderalimentatie betaalt voor een jongere minderjarige zus, werd de alimentatie voor de jong-meerderjarige vastgesteld op €475 per maand.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en geldt met ingang van 12 januari 2026. Het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: De alimentatie voor de jong-meerderjarige is vastgesteld op €475 per maand met ingang van 12 januari 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8580
Zaaknummer: C/09/694549
Datum beschikking: 12 januari 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 14 november 2025 ingekomen verzoek van:

[jongmeerderjarige],

de jong-meerderjarige,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Schreurs te Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. A. Schellekens, nu mr. H. van Pelt-de Jong te Bodegraven.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • een F9-formulier van 10 maart 2025, houdende een machtiging van de moeder ([de moeder]) van de jong-meerderjarige om voor en namens de jong-meerderjarige op te treden in deze procedure;
  • een akte houdende een wijziging van het verzoek van 13 november 2025;
  • een F9-formulier van 17 november 2025, met bijlagen, van verzoekster.
Op 24 november 2025 is op de zitting van deze rechtbank zowel het onderhavige verzoek als het verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen (C/09/673599, C/09/678873)
gecombineerd behandeld. Op laatstgenoemde verzoeken wordt bij afzonderlijke beschikking beslist.
Op de zitting zijn verschenen: de man met zijn advocaat en [de moeder], de moeder van de jong-meerderjarige (hierna: de vrouw) met mr. N. Schreurs. De jong-meerderjarige is niet op de zitting verschenen. Zij heeft de vrouw gemachtigd namens haar op te treden.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de jong-meerderjarige luidt, na wijziging, de alimentatie voor de jong-meerderjarige op € 550,-- netto per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Feiten
- De man en de vrouw zijn de ouders van de jong-meerderjarige en van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats].
- De jong-meerderjarige verblijft bij de moeder.
- De jong-meerderjarige volgt een MBO-opleiding.

Beoordeling

Behoefte
De jong-meerderjarige stelt dat voor de behoefte aansluiting dient te worden gezocht bij de WSF-normen. Uit deze normen volgt dat het normbedrag voor een jongmeerderjarige die thuiswonend is en een MBO-opleiding volgt € 757,68 netto per maand bedraagt. De jong-meerderjarige volgt een fulltime opleiding waardoor zij het grootste deel van de opleiding op school doorbrengt. De jong-meerderjarige moet in het kader van haar opleiding twee dagen per week stage lopen. De stage duurt een half jaar. De jong-meerderjarige ontvangt een stagevergoeding van € 175,-- per maand. Daarmee komt de behoefte van de jong-meerderjarige op een bedrag van afgerond € 583,-- per maand.
De man is het ermee eens de behoefte op grond van het vorenstaande vast te stellen op een bedrag van € 583,-- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte afgerond
€ 610,-- per maand.
Draagkracht man
Vast staat dat er sprake is van een inkomensdaling bij de man. De man ontvangt sinds
1 augustus 2025 een WW-uitkering, waardoor zijn inkomen met 30% is gedaald. De man heeft wel een ontslagvergoeding ontvangen, die dient te worden aangewend om de inkomstenderving te compenseren voor de duur van een jaar.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man verwijtbaar werkloos is geworden door gebruik te maken van de ‘plaatsmakersregeling’ van zijn werkgever. De rechtbank is van oordeel dat de man voldoende heeft toegelicht dat voortzetting van het dienstverband niet meer volledig ter vrije bepaling stond en dat hem niet te verwijten is dat hij onder de gestelde omstandigheden gebruik heeft gemaakt van de aangeboden vertrekregeling.
De man heeft ontslagvergoedingen ontvangen van € 26.362,38 bruto en bijna 8.499,63 bruto. Zoals gezegd dienen die vergoedingen onder meer ter aanvulling van de (tijdelijke) inkomensachteruitgang. De man kan daarom geacht worden gedurende een jaar zijn inkomensachteruitgang te compenseren met de ontslagvergoedingen. De rechtbank gaat daarom bij de berekening van de draagkracht van de man uit van het inkomen van de man over het jaar 2024. De man dient zich in te spannen om zijn verdiencapaciteit (ter hoogte van zijn voormalige loon) te verzilveren. Als inderdaad blijkt, zoals de man stelt, dat hij blijvend in inkomen achteruit is gegaan, kan dat, op het moment dat de ontslagvergoedingen zijn opgesoupeerd, aanleiding zijn een nieuwe alimentatieberekening te (laten) maken.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de man uitgaat van een inkomen van € 71.678 bruto per jaar dat volgt uit de aangifte inkomstenbelasting 2024.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskorting, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 3.810,-- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De man betaalt op dit moment in het kader van woonlasten een vergoeding van rond de
€ 400,-- aan zijn ouders en de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning. De vrouw betaalt de andere helft van de eigenaarslasten. Dat betekent dat beide partijen op dit moment beperkte woonlasten hebben. De echtelijke woning zal worden verkocht. Daarom is redelijkerwijs te verwachten dat beide partijen in de nabije toekomst kosten moeten maken voor een andere woning. Het is niet te voorspellen of partijen een andere woning zullen kopen (of het vrij te komen vermogen daartoe toereikend is) of huren. Beide partijen moeten in staat zijn hierin op termijn keuzes te kunnen maken. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van het forfaitaire woonbudget.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,--, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,--)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.810 – (1.143 + 1.310)] = € 950,-- per maand.
De draagkracht van de man bedraagt volgens deze formule € 950,-- per maand.
In de beschikking ter zake van de echtscheiding is vastgesteld dat de vrouw een minimale draagkracht heeft van € 25,-- per maand per kind en is ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] een door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld van € 475,-- per maand.
De draagkracht van de man moet over de jong-meerderjarige en haar minderjarige zus worden verdeeld. Dit betekent dat de rechtbank een door de man te betalen alimentatie ten behoeve voor de jong-meerderjarige zal vaststellen van € 475,-- per maand.
De rechtbank zal de alimentatie vaststellen met ingang van de datum van de beschikking.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt de door de man met ingang van 12 januari 2026 te betalen alimentatie voor de jong
meerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats], op € 475,--
per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de jong-meerderjarige te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 januari 2026.