ECLI:NL:RBDHA:2026:2493

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4252
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 62a VwArt. 5.1b VbVerordening (EU) nr. 604/2013Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid bewaring vreemdeling op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet

Eiser, een Indiase vreemdeling, werd op 23 januari 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de rechtmatigheid van zijn staandehouding en de grondslag van de maatregel, onder meer omdat hij stelde dat hij rechtmatig verblijf had in Spanje en dat Italië verantwoordelijk was voor zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank stelde vast dat eiser was aangetroffen tijdens een controle door de Nederlandse Arbeidsinspectie en dat de staandehouding plaatsvond op basis van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. De rechtbank oordeelde dat het niet aan de bewaringsrechter is om te toetsen aan andere bevoegdheden dan die van de Vreemdelingenwet. De door verweerder aangevoerde zware gronden 3a en 3b waren feitelijk juist, aangezien het visum van eiser was verlopen en hij geen geldige verblijfsvergunning had.

Eiser voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast, maar de rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat bewaring noodzakelijk was vanwege het risico op onttrekking aan toezicht. De ambtshalve toets leidde niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.4252

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. Singh)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Indiase nationaliteit te hebben.
Rechtmatigheid van de staandehouding
2. Eiser voert aan dat de staandehouding op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden, omdat de arbeidsinspectie ten onrechte heeft vastgesteld dat eiser aan het werk was in het restaurant van een vriend van hem.
3. De rechtbank stelt vast dat uit het rapport van bevindingen van 26 januari 2026 blijkt dat arbeidsinspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie, vergezeld door ambtenaren van de Nationale politie Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) en de gemeente Haarlem, een controle hebben uitgevoerd op de locatie gelegen aan [adres] te [plaats] in het kader van toezicht op de naleving van voorschriften, gesteld bij en/of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen. Bij die controle is eiser aangetroffen. Na onderzoek door de arbeidsinspectie is eiser overgedragen aan de AVIM. Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt vervolgens dat eisers staandehouding heeft plaatsgevonden op basis van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. [2] Daarnaast is het niet aan de bewaringsrechter om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden [3] , zodat een verdere onderzoek naar de bevindingen van de arbeidsinspectie geen plaats heeft in deze procedure.
Grondslag van de maatregel
4. Eiser voert aan dat verweerder niet verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag, omdat de Dublinverordening van toepassing is. Italië heeft namelijk eerder een visum aan eiser afgegeven, zodat verweerder eiser had moeten claimen bij de Italiaanse autoriteiten. Verder heeft eiser mogelijk procedureel rechtmatig verblijf in Spanje, omdat hij aldaar een periode heeft verbleven en gewerkt.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend en in het dossier geen indicaties aanwezig zijn dat de Dublinverordening van toepassing is. Indien eiser meent dat de Italiaanse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag, ligt het op zijn weg om dit in zijn asielaanvraag naar voren te brengen. Verder is niet onderbouwd dat eiser procedureel rechtmatig verblijf heeft in Spanje. Daarnaast kan procedureel rechtmatig verblijf niet worden aangemerkt als een geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf in de zin van artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder heeft de maatregel van bewaring dan ook terecht gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
Maatregel van bewaring
6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Als zware gronden [4] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden [5] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
  • 4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
7. Eiser betwist alle zware gronden en de lichte grond 4f. Hiertoe voert hij aan dat hij het Schengengebied rechtmatig is ingereisd met een door Italië afgegeven visum. Verder is niet gebleken van een risico op onttrekking aan het toezicht. Eiser heeft enkel aangegeven dat zijn asielaanvraag dient te worden behandeld door Italië, omdat Italië daar op grond van de Dublinverordening [6] verantwoordelijk voor is. Eiser heeft daarnaast mogelijk procedureel rechtmatig verblijf in Spanje, omdat hij daar een tijdje heeft verbleven en gewerkt. Tot slot heeft hij geen arbeid verricht in Nederland en was slechts kort aanwezig in het restaurant van een goede vriend van hem, waarbij hij geen werkzaamheden heeft verricht.
8. Verweerder heeft ter zitting de zware grond 3i laten vallen.
9. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [7] volgt dat verweerder bij – onder meer de zware gronden 3a en 3b – kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. [8] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Het door de Italiaanse autoriteiten afgegeven visum is inmiddels verlopen. Het is niet gebleken dat hij een nieuw visum heeft verkregen waarmee hij Nederland mocht inreizen. Verder heeft hij geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Lichter middel
10. Voor zover eiser heeft willen aanvoeren dat verweerder had kunnen volstaan met
het opleggen van een lichter middel, omdat hij voor het eerst als vreemdeling in Nederland is aangetroffen en op grond van de Terugkeerrichtlijn [9] de gelegenheid had moeten krijgen Nederland dan wel de Europese Unie te verlaten, volgt de rechtbank hem daarin niet. Verweerder heeft, gelet op de gronden, voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het genoemde onttrekkingsrisico te ondervangen. Ook is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
Ambtshalve toets
11. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in
aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van
geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
2.Proces-verbaal van staandehouding van 23 januari 2026, p. 1 van 3.
3.ABRvS 8 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2400.
4.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
5.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
6.Verordening (EU) nr. 604/2013.
7.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
9.Richtlijn 2008/115/EG.