ECLI:NL:RBDHA:2026:2462

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL26.5932
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 96 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht ongegrond verklaard

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit hebbende persoon, is op 18 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep getoetst vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 29 december 2025. Eiser stelde dat de bewaring langer duurde dan wettelijk toegestaan en dat de verlenging niet rechtsgeldig was. Verweerder overlegde een voortgangsrapportage en een besluit van 16 december 2025 waarin de bewaring met maximaal drie maanden werd verlengd.

De rechtbank oordeelde dat de verlenging rechtmatig was en dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5932

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 18 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 10 februari 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [2] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 29 december 2025.
4. Eiser stelt dat de inbewaringstelling langer duurt dan de wettelijk toegestane termijn voor een maatregel gebaseerd op artikel 59b van de Vw. Uit de voortgangsrapportage blijkt niet expliciet dat de termijn met drie maanden is verlengd op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw. Ook is er geen beslissing van een rechter waaruit volgt dat eiser zijn hoger beroep in Nederland mag afwachten. In dat geval moet tevens een afweging worden gemaakt over het voortduren van een vrijheidsbeperkende maatregel. Verweerder gaat daarentegen door met het verrichten van uitzettingshandelingen.
5. Zoals bij uitspraak van 30 december 2025 is geoordeeld, heeft verweerder de bewaring met maximaal drie maanden verlengd bij besluit van 16 december 2025. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing verder ook niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot de opheffing ervan op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 10 februari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22752, en 30 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25548.