ECLI:NL:RBDHA:2026:2451

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.44290
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000Art. 31 lid 6 sub e Vw 2000Art. 3:46 AwbArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvragen wegens gebrekkige motivering identiteit en nationaliteit

Eisers, een familie uit Afghanistan, vroegen asiel aan in Nederland. De minister wees hun aanvragen af omdat hij hun identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig achtte, mede vanwege een registratie in het EU-Vis met Indiase nationaliteit. Eisers stelden dat zij Afghaans zijn en authentieke documenten (taskera’s) overlegden.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de registratie in het EU-Vis zwaarder woog dan de echt bevonden taskera’s. Voor eiseres 1 ontbrak zelfs een geldige EU-Vis registratie, waardoor het besluit gebrekkig was gemotiveerd. Voor eiser en eiseres 2 was de motivering ook onvoldoende omdat de minister niet aannemelijk had gemaakt dat de taskera’s frauduleus waren.

De rechtbank vernietigde daarom de bestreden besluiten en gaf de minister zes weken om een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvragen wegens gebrekkige motivering en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.44290, NL25.44295 en NL25.44297

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaken tussen

[eiseres 1], alias [alias 1], v-nummer: [nummer 1], eiseres 1,

[eiser], alias [alias 2], alias [alias 3], v-nummer: [nummer 2], eiser,
[eiseres 2], alias [alias 4], v-nummer: [nummer 3], eiseres 2
samen: eisers, mede namens de minderjarige kinderen
[naam kind 1],
alias [alias 5], v-nummer: [nummer 4],
[naam kind 2],
alias [alias 6], v-nummer: [nummer 5],
(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: M.J.C. van der Woning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister de besluiten gebrekkig heeft gemotiveerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 9 februari 2024 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 5 september 2025 deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, eiseres 2, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. De familie van eisers bestaat uit de moeder [eiseres 1] (eiseres 1), haar zoon [eiser] (eiser) en zijn echtgenote [eiseres 2] (eiseres 2) en hun minderjarige dochter [naam kind 1] en minderjarige zoon [naam kind 2]. Zij leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eisers stellen dat zij (uitsluitend) de Afghaanse nationaliteit hebben. Doordat eiseres 1 en eiser Hindoe zijn en eiseres 2 Sikh is, vrezen zij voor de lokale moslims. In Afghanistan zijn namelijk aanslagen gepleegd op tempels van de Hindoes en de Sikhs en worden zij onderdrukt. Eiser is in het verleden ook persoonlijk aangevallen op straat.
De bestreden besluiten
4. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • vrees van eiser voor een gevangenisstraf bij terugkeer naar India vanwege het gebruik van valse documenten;
  • problemen in Afghanistan naar aanleiding van het Sikhisme van eiseres 2.
4.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers ongeloofwaardig, omdat hun verklaringen daarover niet samenhangend en aannemelijk zijn als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Verder kunnen eisers niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw 2000. De minister concludeert daarom dat de asielaanvragen kennelijk ongegrond zijn. De gestelde problematiek van eisers ten aanzien van Afghanistan is door de minister niet getoetst, omdat wordt vastgehouden aan de Indiase identiteit. De vrees van eiser voor een gevangenisstraf bij terugkeer naar India is door de minister onder de risicoanalyse door getoetst.
Achtergrond van deze zaak
5. Eisers voeren aan dat zij Afghanistan hebben verlaten vanwege bovenstaand asielrelaas. Ze verklaren dat het voor hen een tijdrovend proces was om een reisagent te vinden die bereid was om het vertrek tegen een bepaald geldbedrag te realiseren. De reisagent die eisers uiteindelijk konden veroorloven bepaalde de eindbestemming, de reisroute en de reisdocumenten. Daar hadden eisers geen enkele inspraak in. Na vertrek uit Afghanistan is gebleken dat de reisroute via India en Ierland plaatsvond. Vanuit Ierland zijn ze naar Amsterdam gestuurd, waardoor zij genoodzaakt waren om in Nederland asiel aan te vragen. De minister heeft bij de asielaanvraag van eisers het Europese Visuminformatiesysteem (EU-Vis) geraadpleegd waaruit volgens hem bleek dat eisers op basis van een Indiaas paspoort een Nederlands visum hebben aangevraagd. Volgens de minister staat in EU-Vis eiseres 1 onder de naam [alias 1] geregistreerd, eiser onder de naam [alias 2] en eiseres 2 onder de naam [alias 4]. Ze staan in EU-Vis geregistreerd met een Indiase nationaliteit.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers ongeloofwaardig is?
6. Eisers betogen dat zij geloofwaardig hebben verklaard over hun identiteit, nationaliteit en herkomst. Eisers voeren aan dat hun Afghaanse nationaliteit vaststaat, omdat ze authentiek bevonden identiteitsdocumenten (taskera’s) hebben overgelegd. Ze voeren aan dat de minister de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [1] onjuist heeft geïnterpreteerd door aan te nemen dat een registratie in het EU-Vis altijd hoger moet worden ingeschat dan een echt bevonden taskera. Eisers benadrukken dat zij echt bevonden taskera’s hebben overgelegd die zowel onderling als met de huwelijksakte (van eiser en eiseres 2) in lijn zijn. Bovendien wordt door de minister erkend dat de geboorteakte van eiser een goedgelijkende pasfoto bevat. Daarnaast heeft eiseres 1 twee taskera’s van haarzelf (een oude en een nieuwe) en een taskera van haar overleden man overgelegd. Die zijn ook echt bevonden.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers ongeloofwaardig is. Volgens de minister wordt niet aan de authentieke taskera’s voorbijgegaan, maar zijn de verklaringen van eisers tegenstrijdig met de informatie uit het EU-Vis. De minister stelt dat volgens vaste rechtspraak in beginsel uitgegaan mag worden van de juistheid van de informatie in het EU-Vis en is het aan eisers om aan te tonen dat deze informatie onjuist is. [2] De minister stelt zich op het standpunt dat eisers hier niet in zijn geslaagd. De enkele omstandigheid dat zij beschikken over echt bevonden taskera’s en een huwelijksakte maakt volgens de minister nog niet dat de registratie in het EU-Vis onjuist is. Daarnaast heeft de minister op de zitting aan zijn standpunt toegevoegd dat uit ambtsberichten blijkt dat veel wordt gefraudeerd met taskera’s. De echt bevonden taskera’s zijn volgens de minister dan ook onvoldoende om aan te tonen dat de registratie in het EU-Vis onjuist is, omdat om die reden niet van de inhoud uitgegaan kan worden. Bovendien, zo stelt de minister, heeft de Nederlandse ambassade de Indiase paspoorten gezien, omdat anders geen visum verstrekt had kunnen worden. Daarmee staat volgens de minister vast dat de Indiase paspoorten echt zijn. De minister heeft op zitting ter onderbouwing van haar standpunt ook op de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2024 [3] een beroep gedaan.
6.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het dossier van eiseres 1 geen EU-Vis registratie of visum bevat waaruit blijkt dat zij met een Indiaas paspoort een Nederlands visum heeft aangevraagd. De rechtbank merkt op dat er wel een opvraging van het EU-Vis in haar dossier is opgenomen, maar deze geeft een foutmelding weer. De minister heeft dit op zitting niet betwist. Dit betekent volgens de rechtbank dat het niet mogelijk is om informatie uit het EU-Vis over de Indiase nationaliteit aan eiseres 1, die betwist de Indiase nationaliteit te hebben, tegen te werpen. Als gevolg hiervan bevat het bestreden besluit van eiseres 1 reeds om die reden een motiveringsgebrek. De minister heeft namelijk geen EU-Vis registratie overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat de verklaringen van eiseres 1 niet overeenkomen met de gegevens van het EU-Vis.
6.3.
In het geval van eiser en eiseres 2 bevat hun dossier wel een EU-Vis registratie waaruit blijkt dat zij met een Indiaas paspoort een Nederlands visum hebben aangevraagd. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser en eiseres 2 er niet in zijn geslaagd om aan te tonen dat deze registratie onjuist is. Zoals de minister stelt, mag hij in beginsel uitgaan van de juistheid van de informatie uit het EU-Vis, en het is aan eisers om tegenbewijs te leveren. [4] De rechtbank stelt vast dat eiser en eiseres 2 een taskera hebben overgelegd die door de Koninklijke Marechaussee als echt is beoordeeld. In de uitspraak van de Afdeling, waar de minister in het bestreden besluit naar verwijst ter onderbouwing van haar standpunt, mocht de rechtbank er niet van uitgaan dat de overgelegde taskera echt bevonden was. [5] Bureau Documenten had in die zaak namelijk geconcludeerd dat de taskera ‘minder dan waarschijnlijk, namelijk zeer wel mogelijk echt is en dat niet kan worden vastgesteld of het document door een daartoe bevoegde instantie is opgemaakt en afgegeven, en evenmin, of de inhoud van het document juist is.’ Volgens de rechtbank is dit in het geval van eiser en eiseres 2 anders, omdat wel met zekerheid gezegd kan worden dat sprake is van echt bevonden taskera’s. De enkele stelling van de minister – op zitting – dat ook in het geval van eisers een onderzoek door Bureau Documenten is uitgevoerd waarbij de conclusie is dat niet met zekerheid gezegd kan worden dat de opmaak en inhoud van de taskera’s echt is, is niet onderbouwd. Hiervan zit namelijk geen rapport in het dossier. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan de authenticiteit van de overgelegde taskera’s te twijfelen en gaat uit van de beoordeling van de Koninklijke Marechaussee, inhoudende dat ze echt zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de enkele verwijzing van de minister naar de Afdelingsuitspraak onvoldoende is ter onderbouwing van zijn standpunt dat informatie in het EU-Vis juist is en dat eisers niet hebben aangetoond dat deze informatie onjuist is.
6.4.
Ten aanzien van de verwijzing van de minister op zitting naar de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2024, ter onderbouwing van zijn standpunt dat de minister mag uitgaan van de informatie uit het EU-Vis, is de rechtbank van oordeel dat dit standpunt niet is toegespitst op de situatie van eiser en eiseres 2. De omstandigheden in die zaak verschillen wezenlijk van de omstandigheden van eiser en eiseres 2. In die zaak kon namelijk niet worden vastgesteld of de taskera daadwerkelijk op eiser zag en was het ‘valse’ Indiase paspoort op echtheid beoordeeld. Dat is in deze zaak niet het geval. De taskera van eiser en eiseres 2 is als echt beoordeeld. En de minister heeft in deze zaak enkel aangenomen dat de Indiase paspoorten echt zijn, omdat de Nederlandse ambassade een visum heeft verstrekt. Dit is echter niet verder onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat de Indiase paspoorten van eisers niet meer in hun bezit zijn, zodat de minister – anders dan in de Afdelingsuitspraak – geen onderzoek heeft kunnen doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers niet hebben aangetoond dat hun EU-Vis registratie onjuist is. De toevoeging van de minister op de zitting, dat echt bevonden taskera’s nooit veel waard zijn omdat daar vaak mee gefraudeerd wordt, nog los van het feit dat deze motivering zoals de minister op zitting heeft erkend niet in de bestreden besluiten staat, volgt de rechtbank ook niet. De minister heeft namelijk niet aangetoond dat er in het geval van eiser en eiseres 2 concrete aanwijzingen zijn dat hun taskera’s frauduleus zijn.
6.5.
Omdat de bestreden besluiten gebrekkig zijn gemotiveerd, zijn de beroepen gegrond. De overige beroepsgronden hoeven reeds daarom niet te worden besproken.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn gegrond. Zoals de rechtbank hierboven heeft geoordeeld, heeft de minister de besluiten niet deugdelijk gemotiveerd. De bestreden besluiten zijn daarom in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.
7.1.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. [6] De rechtbank geeft hiervoor een termijn van zes weken.
7.2.
Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). De rechtbank beschouwt de zaken van eisers vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend. [7]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten van 5 september 2025;
  • draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868 aan proceskosten van eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:661, r.o. 3.1.
2.ABRvS 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:661.
3.ABRvS 12 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:20848.
4.ABRvS 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:661.
5.ABRvS 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:661, r.o. 3.1.
6.De rechtbank past artikel 8:72, vierde lid, van de Awb toe.
7.Volgens artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.