ECLI:NL:RBDHA:2026:231

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
23/5983
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de afwijzing van een aanvraag voor militair invaliditeitspensioen na blootstelling aan burnpits

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil over de afwijzing van een aanvraag voor een militair invaliditeitspensioen (mip) door de staatssecretaris van Defensie. Eiser, een voormalig militair, had tijdens zijn uitzending naar Afghanistan in 2011 zonder beschermingsmiddelen gewacht op een terrein met burnpits, waar afval werd verbrand. Twee jaar later werd bij hem lymfeklierkanker, specifiek de ziekte van Hodgkin, vastgesteld. Eiser stelde dat zijn ziekte het gevolg was van zijn blootstelling aan de emissies van de burnpits. De staatssecretaris had de aanvraag afgewezen op basis van een medisch onderzoek dat onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing vond voor een causaal verband tussen de blootstelling aan burnpits en de ziekte van Hodgkin. Eiser heeft geprobeerd dit medisch advies te weerleggen door aanvullende adviezen van verzekeringsartsen in te brengen, maar de rechtbank oordeelde dat hij hierin niet geslaagd was. De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris op basis van het medisch onderzoek terecht had geconcludeerd dat er geen sprake was van een dienstverband gerelateerde invaliditeit. De rechtbank verklaarde het beroep van eiser ongegrond en wees het verzoek om benoeming van een deskundige af. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5983

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L. van den Broek),
en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigden: mr. R. de Graaff).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een militair invaliditeitspensioen (mip).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 2 maart 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 augustus 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Eiser heeft bij brief van 20 februari 2024 de gronden van het beroep aangevuld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de enkelvoudige kamer het onderzoek heropend en heeft het beroep verwezen naar de meervoudige kamer.
1.6.
Bij brieven van 11 juni 2024, 16 september 2024, 5 november 2024, 13 maart 2025 en 29 oktober 2025 heeft eiser aanvullende reacties ingestuurd.
1.7.
Bij brieven van 18 september 2024, 6 december 2024 en 14 november 2025 heeft verweerder een aanvullend verweer ingestuurd.
1.8.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn ouders, de gemachtigde van eiser samen met kantoorgenoot mr. P.A.C. van Gool en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser was sinds 2007 als militair aangesteld bij de krijgsmacht. Voor zijn werkzaamheden is eiser van begin februari 2011 tot eind mei 2011 uitgezonden geweest naar Afghanistan. Daar heeft eiser gedurende een maand, zonder beschermingsmiddelen, wacht gedraaid op een terrein waar zogenoemde burnpits stonden. Daar werd het afval van de militaire basis verbrand. In 2013 werd bij eiser de ziekte van Hodgkin geconstateerd, lymfeklierkanker in de vorm van een Non Hodgkin Lymfoom (NHL). Na behandeling kwam de ziekte in 2017 terug. Op dit moment is de ziekte weg, maar eiser kampt met zodanige gevolgen van de behandelingen dat hij dienstongeschikt is. Hij is daarom eervol ontslagen wegens ziekte. Hij heeft een mip aangevraagd omdat hij van mening is dat zijn ziekte veroorzaakt is door zijn werkzaamheden in Afghanistan. [1]
Wat heeft verweerder besloten?
3. Verweerder heeft een geneeskundig onderzoek laten uitvoeren door de commissie geneeskundig onderzoek militairen (CGOM) van het bedrijf bijzondere medische beoordelingen (BMB). [2] Uit het rapport van 9 juli 2020 blijkt dat er ten tijde van het onderzoek nog niet voldoende bekendheid was over de medische causaliteit tussen de aandoening waaraan eiser lijdt en de blootstelling aan burnpits. Bij afwezigheid van voldoende informatie over de causaliteit kan er geen uitspraak gedaan worden over het dienstverband. In het bestreden besluit handhaaft verweerder zijn standpunt. Daarbij verwijst verweerder naar de reactie van de CGOM van 5 oktober 2022 waarin zij herhaalt dat er onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing is om een uitspraak te doen over de relatie tussen blootstelling aan emissie van burnpits en gezondheidsklachten in het algemeen en de ziekte van Hodgkin in het bijzonder. Voor wat betreft de ziekte van Hodgkin verwijst de CGOM naar een literatuuranalyse van het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van 13 maart 2021. In haar reactie van 7 februari 2023 wijst de CGOM op het verschil tussen het juridisch en het medisch causaliteitscriterium. Nu uit het IRAS onderzoek blijkt dat er niet voldoende informatie is voor een wetenschappelijke onderbouwing van de relatie tussen blootstelling aan emissie van burnpits en gezondheidsklachten onder (ex) militairen kan de commissie geen uitspraak doen over de medische causaliteit.
Wat vinden partijen in beroep?
4. Eiser vindt het bestreden besluit onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd. De enkele verwijzing naar het advies van de CGOM is onvoldoende. Dit advies kan uitsluiten noch bevestigen dat er mogelijk een verband is tussen blootstelling aan emissie van burnpits en de ziekte van Hodgkin. Eiser verwijst naar de door hem ingebrachte adviezen van verzekeringsarts drs. [naam 1] van 14 april 2021, 1 februari 2023, 11 juni 2024, 16 september 2024, 5 november 2024 en 12 februari 2025. [naam 1] stelt dat de ziekte van Hodgkin veroorzaakt kan zijn door de blootstelling aan de toxische stoffen. Aangezien andere oorzakelijke factoren (leeftijd, pre-existenties, predispositie) zijn uitgesloten of veel minder waarschijnlijk, mag een causaal verband met blootstelling aan emissie van burnpits als meest waarschijnlijk worden beschouwd, aldus [naam 1] . Indien de rechtbank dit standpunt niet volgt verzoekt eiser de rechtbank subsidiair een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Verder verwijst eiser naar een kamerbrief van 11 mei 2021 [3] van de minister van Defensie waarin staat dat niet in zijn algemeenheid kan worden bepaald of er een relatie is tussen burnpit emissie blootstelling en gezondheidsrisico’s voor militairen en dat dit op individueel niveau dient te worden bekeken. Verweerder heeft dit nagelaten. Voorts gaat het volgens eiser het bij de beoordeling van een mip om een medische en een juridische beoordeling. Dat volgt ook uit het WIA/IP Protocol. De CGOM moet een inhoudelijk besluit nemen over het juridische causale verband. Het WIA/IP protocol herhaalt meermaals dat aan de causaliteit bij dienstverband geen al te hoge eisen worden gesteld en dat twijfel in het voordeel van betrokkene moet vallen. Eiser wijst tot slot op de PACT-wetgeving uit de Verenigde Staten. Dit betreft een wet die de gezondheidszorg en uitkeringen uitbreidt voor veteranen die blootgesteld zijn aan burnpits en die bepaalde gezondheidsklachten hebben. De aandoening van eiser is een van die gezondheidsklachten.
5. Verweerder heeft op 18 september 2024, 6 december 2024 en 14 november 2025 met verwijzing naar medische analyses van verschillende verzekeringsartsen van het BMB, gereageerd op de adviezen van [naam 1] . Samengevat kan volgens verweerder niet worden gesteld dat zonder de blootstelling aan de burnpits het NHL niet zou zijn ontstaan (en al helemaal niet in overwegende mate), gezien de onduidelijkheden over het causaal verband in zowel de medische literatuur als in deze specifieke casus.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Bij de beoordeling van dit geschil stelt de rechtbank voorop dat het aan verweerder is om naar aanleiding van een aanvraag voor een mip medisch onderzoek te laten uitvoeren en op basis daarvan een beoordeling te verrichten naar de (mate van de) invaliditeit van de aanvrager en het verband met de militaire dienst. Als verweerder op grond van het medisch onderzoek concludeert dat geen sprake is van invaliditeit met dienstverband, ligt het vervolgens op de weg van eiser om de bevindingen en conclusies van de door verweerder uitgevoerde medische advisering gemotiveerd in twijfel te trekken. Het is dus aan eiser om twijfel te zaaien over het onderzoek en de conclusie van verweerder dat van invaliditeit met dienstverband in zijn geval geen sprake is. [4] Voor het kader van de rechterlijke beoordeling verwijst de rechtbank ook naar de uitspraak van de hoogste (militair) ambtenarenrechter van 30 juni 2017. [5]
7. De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van het medisch onderzoek concludeert dat er onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing is om een uitspraak te doen over de relatie tussen blootstelling aan emissie van burnpits en gezondheidsklachten in het algemeen en de ziekte van Hodgkin in het bijzonder. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de CGOM zich heeft gebaseerd op de literatuuranalyse van het IRAS van 13 maart 2021 waarin vele studies zijn betrokken. Daarin wordt geconcludeerd dat, gezien de samenstelling van de uitstoot van de burnpits en het feit dat rondom de burnpits sprake kan zijn van risicovolle, ongezonde concentraties hiervan, het mogelijk is dat door de uitstoot van burnpits gezondheidsproblemen kunnen optreden. In hoeverre de kans bestaat dat dit echt gebeurt en om welke gezondheidsproblemen het dan zou kunnen gaan, kan niet worden vastgesteld nu dat afhankelijk is van verschillende factoren waarover onvoldoende bekend is.
7.1.
Gelet op de conclusies van het medisch advies is het vervolgens aan eiser om deze in twijfel te trekken. De rechtbank is van oordeel dat eiser daar niet in is geslaagd. De redenering van eiser dat het atypisch is dat hij NHL heeft gekregen en dat het daarom het meest waarschijnlijk is dat de blootstelling wel de oorzaak moet zijn van zijn aandoening, zoals [naam 1] ook betoogt, voert naar het oordeel van de rechtbank te ver.
7.2.
Ook de medische artikelen die [naam 1] bespreekt in zijn adviezen van 16 september 2024 en 12 februari 2025 geven naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding voor twijfel. Verzekeringsarts [naam 2] bespreekt in zijn reactie van 16 september 2024 een studie uit het medisch specialistische tijdschrift ‘Blood’ van november 2023. [6] De verzekeringsarts wijst erop dat in deze studie geen relatie is aangetoond tussen blootstelling aan emissie van burnpits en NHL. Ook met het artikel uit Veterinary Medicine uit 2023 heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat een dergelijk verband bestaat. Datzelfde gaat op voor de artikelen Military Burnpits and Cancer Risk van de website van de American Cancer Society van 25 augustus 2022 en de meta-analyse van Yang Liu en Jingxin Wang [7] en het artikel van Xinyu Wang e.a. [8] De verzekeringsarts heeft voor al deze artikelen in zijn reactie van 12 november 2025 voldoende onderbouwd waarom zij het gestelde causale verband niet aantonen.
7.3.
Hoewel het begrijpelijk is dat eiser wijst op tekortkomingen van de aangehaalde studies en dat daaruit volgt dat nader onderzoek nodig blijft, maakt dat nog niet dat er op dit moment uitgegaan kan worden van een causaal verband tussen blootstelling aan de uitstoot van burnpits en NHL. Nu uit het medisch onderzoek als ook uit de door eiser ingebrachte publicaties niet de noodzakelijke vaststelling blijkt dat de NHL in overwegende mate zijn oorzaak vindt in blootstelling aan de emissie van de burnpits kunnen de door eiser naar voren gebrachte individuele omstandigheden, zoals zijn jonge leeftijd, daarin geen verandering brengen. Voor het aannemen van een overwegend causaal verband moeten er naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval wetenschappelijk onderbouwde aanwijzingen zijn om een causaal verband aan te nemen en daar is in het geval van eiser geen sprake van.
7.4.
Ook met de omstandigheid dat er in de Verenigde Staten uitgegaan wordt van een vermoeden van de relatie tussen blootstelling en NHL, heeft eiser geen twijfel gezaaid over de conclusie van het door verweerder uitgevoerde medische onderzoek. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de Amerikaanse overheid deze aanname doet, juist onderstreept dat een causaal verband op dit moment niet kan worden aangetoond. Het kan verweerder niet worden verweten dat die politiek-bestuurlijke keuze in Nederland niet is gemaakt.
8. Eiser heeft in de aanvullende gronden van beroep van 5 november 2024 nog opgemerkt dat verweerder niet alleen het oorzakelijk dienstverband dient te beoordelen maar ook het verergerend dienstverband. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt omdat de stelling van eiser nu juist is dat er geen predispositie voor een aandoening bij hem bestond. Daarmee was er voor verweerder geen reden om onderzoek te doen naar een mogelijke verergering daarvan.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Nu de rechtbank hieraan niet twijfelt zal de rechtbank het subsidiaire verzoek van eiser om een deskundige te benoemen afwijzen. Dat betekent dat eiser geen mip krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzitter, en mr. E.K.S. Mollen, lid en kapitein ter zee logistieke dienst mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, militair lid, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser stelde zich in eerste instantie op het standpunt dat ook het letsel aan zijn knie aanleiding was voor verweerder om hem een mip te verstrekken. Dit standpunt heeft hij laten vallen, zodat de rechtbank hierop in deze uitspraak niet meer terugkomt.
2.Onderdeel van Divisie Defensie Gezondheidszorg Organisatie.
3.Kamerstukken II 2020/21, 35570-X, nr. 103.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1214.
5.Uitspraak van de CRvB van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226.
6.Robert Sgrignoli e.a., Long Term Cancer Risk of U.S. Service Members Exposed to Burn Pits during Military Deployment to Iraq from 2006-2008: A Retrospective Cohort Study.
7.Benzene exposure increases the risk of non-hodgkin’s lymphoma: a systematic review and meta-analysis of observational studies.
8.Military burn pit exposure and airway disease: Implications for our veteran population, Ann Allergy Asthma Immunol, 2023.