ECLI:NL:RBDHA:2026:2236

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694365 / FA RK 25-8474
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie na echtscheiding

De rechtbank behandelt een verzoek van de vader tot wijziging van het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant betreffende de zorg- en opvoedingstaken voor drie minderjarige kinderen. De ouders zijn sinds 2021 gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit. De vader verzoekt om een wijziging van de zorgregeling voor twee kinderen, waarbij hij wil dat zij om de week bij hem verblijven, en om aanpassing van de vakanties en vliegafspraken. Tevens vraagt hij benoeming van een bijzondere curator voor het derde kind.

De moeder verzet zich tegen de wijziging van de reguliere zorgregeling en stelt dat de huidige regeling gehandhaafd moet blijven. Over de zomervakantie en het contact met het derde kind is wel overeenstemming bereikt. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden onvoldoende gewijzigd zijn om de reguliere zorgregeling te wijzigen en wijst het verzoek daartoe af. Voor de zomervakantie wordt een regeling vastgesteld waarbij de kinderen de eerste drie weken bij de ene ouder verblijven en de laatste drie weken bij de andere, met jaarlijkse alternering.

De rechtbank bepaalt dat de vader vanaf 9 januari 2026 een maandelijkse bijdrage van €607,- voor verblijfsoverstijgende kosten rechtstreeks aan de moeder moet betalen, waarbij de kinderbijslag eveneens aan de moeder toekomt. De bijzondere curator wordt niet benoemd vanwege de bereikte overeenstemming over het derde kind. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging van de reguliere zorgregeling voor twee kinderen wordt afgewezen; zomervakantieregeling en kinderalimentatiebetaling aan moeder vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8474
Zaaknummer: C/09/694365
Datum beschikking: 9 januari 2026
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, bijzondere curator en kinderalimentatie

Beschikking op het op 7 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.E. van der Meijs in Zoetermeer (voorheen: mr. L.J.W. van Kesteren in Zoetermeer).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. van den Hoek in Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 12 november 2025 van de vader, met bijlage;
  • het e-mailbericht van 29 november 2025 van de vader;
  • het bericht van 3 december 2025 van de vader, met bijlagen;
  • het verweerschrift, met zelfstandig verzoek, ingekomen op 3 december 2025;
  • het bericht van 3 december 2025 van de vader;
  • het bericht van 4 december 2025 van de vader;
  • het bericht van 5 december 2025 van de moeder;
  • het bericht van 5 december 2025 van de vader.
De minderjarigen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 8 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Op de zitting is afgesproken dat de rechtbank de vader in de gelegenheid zal stellen om een schriftelijke toelichting te geven over het verzoek tot nakoming van het ouderschapsplan en de moeder om daarop schriftelijk te reageren.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
  • het bericht van 11 december 2025 van de moeder, met bijlage;
  • het bericht van 29 december 2025 van de vader, met bijlagen.

Feiten

  • De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2021.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2015 in [geboorteplaats] .
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
  • [de minderjarige 1] en [de minderjarige 3] hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder en [de minderjarige 2] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vader.
  • Bij beschikking van 10 september 2021 van de rechtbank Limburg is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en
ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, onder wijziging van het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan en/of echtscheidingsconvenant en de echtscheidingsbeschikking van 10 september 2021 alsook de nadien gemaakte afspraken, onder compensatie van proceskosten:
primair te bepalen dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] met onmiddellijke ingang op reguliere basis om de week van maandagmiddag na school tot en met zondagavond na het eten bij de vader zullen verblijven, althans subsidiair te beslissen dat voornoemde zorgregeling in ieder geval heeft te gelden gedurende schoolvakanties anders dan de zomervakanties, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
te bepalen dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] gedurende de laatste drie weken van de zomervakantie bij de vader zullen verblijven, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
te bepalen dat, voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , de weekenden voorafgaand aan de vakanties, vanaf vrijdagmiddag uit school, bij de vakanties worden getrokken en dat weekend toekomt aan de ouder die de (eerste) daaropvolgende vakantieweek heeft én te bepalen dat de wissels in de vakanties plaatsvinden op zondagavond na het eten, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
te bepalen dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] begeleid door luchtvaartpersoneel van - en naar Zwitserland mogen vliegen, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
een bijzondere curator ex artikel 1:250 BW Pro te benoemen, met als opdracht aan de bijzondere curator om de wensen en behoeften van [de minderjarige 1] over de zorgregeling in beeld te brengen en te onderzoeken waarin de weerstand tegen contact met zijn vader is gelegen en te onderzoeken of er nu of in de nabije toekomst mogelijkheden zijn voor duurzame contacten tussen hem en de vader, met aan de bijzondere curator het verzoek [de minderjarige 1] te ondersteunen bij het hervatten van dit contact, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
te bepalen dat de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige 1] (uiteindelijk) hetzelfde zal zijn als de zorgregeling voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , indien nodig met een opbouwfase en/of na aanhouding van de zaak in afwachting van het rapport van de bijzondere curator, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de moeder na wijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
1. de vader niet-ontvankelijk te verklaren;
subsidiair:
2. ten aanzien van het verzoek van de vader onder I. van zijn petitum (dagelijkse zorg): toe te wijzen indien de kinderen tot zondag bij de vader willen zijn, met dien verstande dat de kinderen dan om 19:00 uur bij de moeder terug moeten zijn;
3. ten aanzien van het verzoek van de vader onder II. van zijn petitum (zomervakantie): af te wijzen en in plaats daarvan te bepalen dat de kinderen primair volgens een 2-2-1-1, elk jaar alternerend, bij de ouders verblijven en subsidiair het ene jaar de 1e drie weken bij de vader en de 2e drie weken bij de moeder en het ander jaar andersom met kanttekening dat [de minderjarige 2] in de 5e week van de zomervakantie naar circuskamp gaat;
4. ten aanzien van het verzoek van de vader onder III. van zijn petitum (aanvang en einde vakanties): af te wijzen en te bepalen dat de aanvang en het einde van de vakanties als volgt is:
- vakanties van één week (op dit moment de voorjaars- en de herfstvakantie):
de vakantie vangt aan op vrijdag direct voor de vakantie na school (of 15:00) en loopt tot de maandag aan het einde van de vakantie naar school (of 08:30);
- vakanties van twee weken (op dit moment de meivakantie en de kerstvakantie):
de eerste week van de vakantie vangt aan op de vrijdag direct voor de vakantie uit school (of 15:00 uur) en loopt tot de zaterdag erna 12:00, de tweede week vangt aan op de zaterdag midden in de vakantie 12:00 tot de maandag aan het einde van de vakantie naar school (of 08:30 uur);
- zomervakantie 2-2-1-1:
week 1 van de vakantie vangt aan op de vrijdag direct voor de vakantie uit school en loopt tot de zaterdag twee weken erna 12:00, week 3 en 4 lopen van zaterdag 12:00 tot zaterdag twee weken afzetten [de minderjarige 2] voor Circuskamp, week 5 loopt van einde kamp [de minderjarige 2] tot de zaterdag erna 12:00 en week 6 loopt van zaterdag 12:00 tot maandag aan het einde van de vakantie naar school;
- zomervakantie 3-3:
de eerste 3 weken van de vakantie vangen aan op de vrijdag direct voor de vakantie uit school en loopt tot de zaterdag 3 weken later 12:00, de tweede 3 weken vangen aan op de zaterdag midden in de vakantie 12:00 tot de maandag aan het einde van de vakantie naar school (of 08:30);
5. ten aanzien van het verzoek van de vader onder IV. van zijn petitum (vliegen): af te wijzen;
6. ten aanzien van het verzoek van de vader onder V. van zijn petitum (bijzondere curator): toe te wijzen;
7. ten aanzien van het verzoek van de vader onder VI. van zijn petitum (omgang [de minderjarige 1] ): aan te houden tot het moment de bijzondere curator met zijn of haar advies komt;
en zelfstandig verzoekt de moeder, zoals de rechtbank begrijpt:
8. - - primair:
te bepalen dat de vader het ouderschapsplan dient na te komen door overmaking van een bedrag van € 607,- per maand op de kinderrekening op straffe van een dwangsom van € 607,- per maand, met een maximum van € 50.000,- iedere keer dat de vader zich niet aan dit gebod houdt;
- subsidiair:
te bepalen dat de vader zijn bijdrage van € 607,- voortaan aan de moeder dient over te maken in plaats van de bijdrage te storten op de kinderrekening, waarbij de kosten van schoolgeld en schoolbenodigdheden, sport, muziek, abonnementen, zakgeld, hobby, kleding, kapper en fietsen voortaan voor rekening van de moeder komen en mochten er lopende abonnementen zijn, die in onderling overleg tussen ouders zijn afgesloten en waarvan de incasso via de rekening van de vader loopt, dan zal de moeder die kosten aan de vader vergoeden;
9. de kosten van deze procedure, gezien de aard ervan, te compenseren in die zin dat ieder der partijen zijn of haar eigen kosten draagt;
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
In het ouderschapsplan, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 10 september 2021, zijn de ouders het volgende overeengekomen:
“De ouders hebben ervoor gekozen om de zorg voor de kinderen gelijk te verdelen (co-ouderschap).
Week/dag
Maandag
Dinsdag
Woensdag
Donderdag
Vrijdag
Zaterdag
Zondag
1
Moeder
Moeder
Vader
Vader
Vader
Moeder
Moeder
In dit schema is aangegeven bij welke ouder de kinderenovernachten.
De kinderen verblijven van woensdagmiddag na school tot en met zaterdagmiddag 17.00 uur bij de vader en van zaterdagmiddag 17.00 uur tot woensdagochtend bij de moeder. Deze situatie wordt aangehouden tot dat moeder vier maanden een eigen woning heeft. Na deze periode van vier maanden zal opa Joost met de kinderen praten hoe zij in deze zorgverdeling zitten. Mocht blijken dat de kinderen zich niet prettig voelen in deze situatie, wordt de zorgverdeling opnieuw bekeken.”
“VAKANTIES
  • Zomervakantie: 3 weken bij vader, 3 weken bij moeder voor 2022, voor 2023 wordt opnieuw besproken;
  • Herfstvakantie: volgens reguliere schema;
  • Kerstvakantie: volgens reguliere schema;
  • Krokusvakantie: volgens reguliere schema;
  • Meivakantie: volgens reguliere schema;

FEESTDAGEN

  • Kerstavond: vader;
  • 1e Kerstdag: vader/moeder (viering moeder leidend);
  • 2e Kerstdag: vader/moeder (viering moeder leidend);
  • Oudejaarsavond: vader/moeder (viering moeder leidend);
  • Nieuwjaarsdag: vader/moeder (viering moeder leidend);
  • Pakjesavond: moeder;
  • Aankomst van Sinterklaas: moeder;
  • Vader- en Moederdag: Vaderdag bij vader en Moederdag bij moeder;
  • Pasen: volgens reguliere schema;
  • Hemelvaartsdag: volgens reguliere schema;
  • Pinksteren: volgens reguliere schema;
  • Koningsdag: volgens reguliere schema.”
Regeling voor [de minderjarige 1]
De ouders hebben tijdens de zitting, na een schorsing, overeenstemming bereikt over de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige 1] . Zij hebben afgesproken dat [de minderjarige 1] een keer in de twee weken op vrijdag naar de vader blijft gaan, en dat [de minderjarige 1] vanaf januari 2026 één keer in de twee weken van vrijdag op zaterdag bij de vader zal overnachten. Daarbij hebben de ouders benadrukt dat zij [de minderjarige 1] niet willen dwingen. De ouders hebben daarnaast afgesproken dat de vader vanaf januari 2026 met [de minderjarige 1] mee zal gaan naar de psycholoog.
De rechtbank zal in het dictum van deze beschikking vastleggen dat de zorgregeling voor [de minderjarige 1] uit het ouderschapsplan niet geldt en dat de ouders afgesproken hebben het contact tussen de vader en [de minderjarige 1] te zullen opbouwen, zoals omschreven in het lichaam. Gelet op de bereikte overeenstemming tussen de ouders zal de rechtbank het meer of anders verzochte over de zorgregeling met betrekking tot [de minderjarige 1] afwijzen.
Regeling voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3]
Reguliere regeling
De vader wil de reguliere zorgregeling voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wijzigen, in die zin dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] om de week van maandagmiddag na school tot en met zondagavond na het eten bij de vader zullen verblijven. Hij stelt zich op het standpunt dat de omstandigheden gewijzigd zijn, omdat de kinderen ongeveer een jaar ouder zijn en [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] een andere regeling willen.
De moeder wil de huidige reguliere zorgregeling ongewijzigd laten. Volgens haar zijn de omstandigheden niet zodanig veranderd en geven de kinderen er zelf de voorkeur aan om de bestaande regeling voort te zetten. Dat de kinderen inmiddels een jaar ouder zijn, vindt de moeder onvoldoende om tot een wijziging van de regeling over te gaan.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van één van hen op grond van artikel 1:253a BW samen met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Gelet op het vijfde lid van artikel 1:253a BW beproeft de rechtbank eerst een vergelijk tussen de ouders voordat zij een beslissing in het belang van de kinderen neemt.
De rechtbank heeft op de zitting een vergelijk tussen de ouders beproefd, wat niet tot overeenstemming heeft geleid.
De rechtbank is gebleken dat de ouders in september 2024, onder begeleiding van Stichting Jeugdbescherming west, de huidige zorgregeling hebben afgesproken. Deze regeling houdt in dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] om de week van maandagmiddag tot zaterdagavond 19:00 uur bij de vader zijn. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de door de vader aangevoerde omstandigheden onvoldoende grond om een wijziging van omstandigheden aan te nemen; de periode is daarvoor te kort. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben behoefte aan rust en duidelijkheid. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vader niet ontvangen in zijn verzoek tot wijziging van de reguliere zorgregeling voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .
Vakantieregeling
Op de zitting hebben de ouders overeenstemming bereikt over de zomervakantie. Zij zijn overeengekomen dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] gedurende de eerste drie weken bij de ene ouder verblijven en de laatste drie weken bij de andere ouder, waarna jaarlijks de weken wordt gealterneerd. Daarbij hebben de ouders afgesproken dat [de minderjarige 2] – ongeacht bij welke ouder hij dan is – in de vijfde week van de zomervakantie naar het circuskamp kan gaan. Over het begin en het einde van zomervakanties hebben de ouders het volgende afgesproken: de eerste drie weken van de vakantie vangen aan op de vrijdag direct voor de vakantie uit school en loopt tot de zaterdag drie weken later 12:00 uur, de tweede drie weken vangen aan op de zaterdag midden in de vakantie 12:00 tot de maandag aan het einde van de vakantie naar school.
Ten aanzien van overige vakanties hebben de ouders afgesproken dat de vakanties aanvangen op vrijdagmiddag uit school. De ouders hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over het wisselmoment in de tweewekelijkse vakanties (mei- en kerstvakantie). Gebleken is dat de vader in de tweewekelijkse vakanties met de kinderen naar Zwitserland gaat. De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij liever op zondag rijdt, omdat het op zaterdag erg druk is en hij dan ‘s nachts moet vertrekken met zijn gezin. Bij het maken van de afspraken hebben de ouders zich blijkbaar niet gerealiseerd dat de vader met de kinderen vroeg moet vertrekken en zij op een drukke dag moeten reizen. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet in het belang van de kinderen dat zij op een drukke dag moeten reizen. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat zij op een veilige manier van Zwitserland naar Nederland kunnen reizen. Reizen in de nacht en op een drukke dag acht de rechtbank niet bevorderlijk voor de veiligheid. Daarom zal de rechtbank bepalen dat het wisselmoment in de tweewekelijkse vakanties op zondag om 17:00 uur is.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders verzochte over de zorgreling voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] afwijzen.
Begeleid vliegen [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3]
Op de zitting heeft de vader toegelicht dat hij het praktisch zou vinden als de kinderen af en toe onder begeleiding van en naar Zwitserland kunnen vliegen. Hij heeft daarbij aangegeven dat dit niet structureel zal zijn. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij toestemming zal verlenen voor begeleid vliegen van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , mits de vader zich ervan bewust is dat dit geen gewoonte kan worden en slechts incidenteel plaatsvindt.
Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum van deze beschikking, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich in het belang van de kinderen aan deze afspraak zullen houden.
Bijzondere curator
Vanwege de door de ouders bereikte overeenstemming over [de minderjarige 1] , beschouwt de rechtbank de verzoeken over de bijzondere curator als ingetrokken, zodat de rechtbank daarop geen beslissing meer hoeft te nemen.
Bijdrage voor de kinderen
In het ouderschapsplan, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 10 september 2021, zijn de ouders het volgende overeengekomen:

“Kinderalimentatie

De ouders hebben een berekening voor de kinderalimentatie laten maken volgens de Trema-normen.

Het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk bedroeg € 4.742,-. Dit is opgebouwd uit een netto maandinkomen aan kant van de vader van € 2.935,- en een netto maandinkomen aan kant van de moeder van € 2.373,-. De netto oppaskosten bedroegen € 600,- per maand en het kindgebondenbudget bedroeg € 34,-.
De behoefte van de kinderen bedraagt dan ook volgens de gangbare tabellen (Nibud en Trema) € 393,- per maand per kind. De extra oppaskosten per kind zijn € 200,- per maand.
In het geval er een herberekening gemaakt zal worden (bijv. door een wijziging van omstandigheden) zal er uitgegaan worden van de behoefte, berekend o.b.v. de gangbare tabellen (Nibud en Trema), zoals hierboven beschreven. Het tekort van € 158,- in de kosten kinderen is verrekend in de draagkrachtvergelijking van beide ouders.
De vader kan volgens de gangbare tabellen (Nieuwe richtlijn kinderalimentatie) en de draagkrachtvergelijking met € 320,- per maand per kind bijdragen in de kosten voor verzorging en opvoeding van de kinderen.
Deze bijdrage is ook aanvaardbaar.
Een deel van deze kosten (te weten € 118,- per kind) heeft in zijn huishouden plaats. Daarnaast stort hij € 202,33 per kind op de kinderrekening.
De moeder kan volgens de gangbare tabellen (Nieuwe richtlijn kinderalimentatie) en de draagkrachtvergelijking met € 221,- per maand per kind bijdragen in de kosten voor verzorging en opvoeding van de kinderen.
Deze bijdrage is ook aanvaardbaar.
Een deel van deze kosten (te weten € 153,33 per kind) heeft in haar eigen huishouden plaats. Daarnaast stort zij € 67,- per kind op de kinderrekening.
Grote onvoorziene uitgaven welke schoolgerelateerd zijn en of niet vergoed worden vanuit de zorgverzekering worden gedaan in onderling overleg en betaald naar rato van inkomen.
(…)

Kinderrekening

Vanaf 01 september 2021 is de kinderrekening ingericht en gaat deze in. De vader stort maandelijks € 607,- op de kinderrekening en de moeder stort maandelijks € 201,- op de kinderrekening, te voldoen op de eerste van de maand. De ontvangen kinderbijslag wordt direct op de kinderrekening gestort.

De hoogte van de bijdrage aan de kinderrekening kan in onderling overleg worden aangepast. Hierbij wordt rekening gehouden met afzonderlijke inkomsten en uitgaven en de verdeling van de zorg.
Moeder heeft toegang tot en inzicht in de kinderrekening. Vader heeft geen toegang tot de kinderrekening, moeder zal maandelijks een overzicht overleggen aan de vader van de in- en uitgaven. Van de kinderrekening worden de volgende zaken betaald: schoolgeld en schoolbenodigdheden, sport, muziek, abonnementen, zakgeld, hobby, kleding, kapper en fietsen. Bedragen boven de € 100,- worden alleen in gezamenlijk overleg uitgegeven.
De moeder stelt dat de vader slechts een keer, namelijk op 26 augustus 2021, het bedrag van € 607,- heeft gestort op de kinderrekening. Ter zitting heeft zij toegelicht het LBIO te hebben ingeschakeld maar dat het LBIO heeft haar bericht de bijdrage niet kunnen innen, omdat die op een kinderrekening moet worden gestort. De vader betwist niet dat hij maar één keer de bijdrage op de kinderrekening heeft gestort. Hij stelt geen bijdrage meer te voldoen, omdat de moeder haar financiële afspraken niet nakwam. Hij betaalt nu zijn aandeel in de kosten rechtstreeks. In zijn e-mail van 4 januari 2022 bericht hij de moeder daarover:

(…)
Mijn vertrouwen dat wij een gezamenlijke kinderrekening kunnen aanhouden is helemaal weg door wat er het afgelopen jaar is gebeurt op financieel vlak en afspraken die niet of nauwelijks worden nagekomen.
Ik heb besloten zelf de rekeningen voor de kinderen te betalen wanneer dit nodig is en ik verwacht dat jij dat ook doet. Daarbij wil ik opmerken dat jij de volledige kinderbijslag tot je beschikking hebt en 2/3 van het kind gebonden budget ontvangt. (Het kindgebonden budget ontvang jij maandelijks) Naar alle waarschijnlijkheid krijg jij straks het volledige
kindgebonden budget. In dat geval krijg jij meer geld voor de kinderen op jouw rekening gestort dan je kan opmaken.
Jij geeft aan dat je je kaalgeplukt voelt maar als ik alles bij elkaar optel (rekeningen die ik voor jou heb betaald en nog steeds betaal, te weten de afbetaling van jouw Iphone), spullen die ik terug moet aanschaffen, kosten voor de [adres] etc., zie onderstaand overzicht) dan voel ik mij kaalgeplukt en zou ik van jou juist nog geld moeten ontvangen. Jij hebt zonder overleg het hele huis leeggeroofd, zo voelt dat voor mij, en dit staat tot geen enkele
verhouding.
(…)
De vader heeft ondertussen wegens wijziging van omstandigheden, te weten de geboorte van twee kinderen, een nieuw verzoekschrift ingediend. Hij verzoekt daarin onder meer dat de moeder aan hem een maandelijkse kinderalimentatie van € 420,- dient te voldoen.
Dat verzoek zal in een aparte procedure worden behandeld.
In het kader van artikel 1:253a BW kan de rechtbank een beslissing geven over een geschil dat ziet op betaling van de bijdragen op de kinderrekening. De rechtbank verwijst daarvoor naar de beschikking van de Hoge Raad van 21 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1718). De vader stelt gestopt te zijn met het storten op de kinderrekening wegens het ontbreken van overzichten en verrekeningen met andere kosten. De kosten die de vader heeft verrekend zien onder meer op de voormalige echtelijke woning en de Iphone van de moeder die nog door de vader wordt afbetaald.
Gelet op de omschrijving van de soort kosten die vanuit de kinderrekening worden betaald, concludeert de rechtbank dat de kinderrekening bedoeld is voor de betaling van de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen. Daarbij hebben ouders afgesproken dat de ontvangen kinderbijslag, die direct op de kinderrekening wordt gestort, ook bedoeld is om de verblijfsoverstijgende kosten te voldoen.
Naar het oordeel van de rechtbank mogen de kinderen niet de dupe worden van (financiële) geschillen die ouders met elkaar hebben. Aangezien het handhaven van de kinderrekening-regeling leidt tot conflicten tussen de ouders zal de rechtbank in het belang van de kinderen beslissen dat de vader de vastgestelde bijdrage rechtstreeks aan de moeder moet voldoen met ingang van heden. De kinderbijslag komt de moeder dan ook toe. Mocht de Sociale Verzekeringsbank (een deel) van de kinderbijslag op de rekening van de vader storten, dan is hij gehouden die door te storten op de bankrekening van de moeder. De moeder moet op haar beurt alle verblijfsoverstijgende kosten voor haar rekening nemen waaronder de kosten van schoolgeld en schoolbenodigdheden, sport, muziek, abonnementen, zakgeld, hobby, kleding, kapper en fietsen. Lopende abonnementen, die in onderling overleg tussen ouders zijn afgesloten en waarvan de incasso via de rekening van de vader loopt, zal de moeder aan de vader dienen te vergoeden.
Proceskosten
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.
Brief aan [de minderjarige 1]
De rechtbank heeft [de minderjarige 1] een brief geschreven om de beslissing van de rechtbank uit te leggen. De inhoud van de brief luidt als volgt:
“Beste [de minderjarige 1] ,
Op vrijdag 5 december 2025 hebben wij met elkaar gepraat over het contact tussen jou en je vader. Op maandag 8 december 2025 heb ik ook met je ouders gepraat en ook verteld wat jouw mening was. Je ouders willen met jou praten over hoe het voor jou prettiger kan zijn bij je vader. Zij vinden het een goed idee dat jij dit samen met je vader en een psycholoog gaat bespreken. Ook vinden je ouders het belangrijk dat jij één keer in de twee weken op vrijdag naar je vader blijft gaan, en dat jij daar een nachtje blijft slapen. Ik hoop dat jij dit een goede kans wil geven, en dat je op deze manier een fijne tijd bij je vader hebt.
Mocht het niet gaan zoals jij wilt of je vindt dat de kinderrechter en andere beslissing moet nemen, kan jij altijd een brief of e-mail sturen naar de kinderrechter. Meer informatie hierover kan je vinden op de volgende sites:
https://leiden.kjrw.eu/en
https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Informele-rechtsingang-kinderen.
Met vriendelijke groet,
A.S. Perniciaro
(kinderrechter)”

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Limburg van 10 september 2021 – :
*
stelt vast dat de zorgregeling zoals overeengekomen in het ouderschapsplan voor [de minderjarige 1] niet geldt, en dat de ouders het contact tussen [de minderjarige 1] en de vader zullen opbouwen zoals overwogen in het lichaam van deze beschikking;
*
verklaart de vader niet ontvankelijk in zijn verzoek tot wijziging van de zorgregeling voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] ;
*
bepaalt ten aanzien van de zomervakantie dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] gedurende de eerste drie weken bij de ene ouder verblijven en de laatste drie weken bij de andere ouder, waarna jaarlijks de weken wordt gealterneerd en [de minderjarige 2] in de vijfde week van de zomervakantie naar het circuskamp gaat en waarbij de eerste drie weken van de zomervakantie aanvangen op de vrijdag direct voor de vakantie uit school en loopt tot de zaterdag drie weken later 12.00 uur en de tweede drie weken aanvangen op de zaterdag midden in de vakantie 12.00 uur tot de maandag aan het einde van de vakantie naar school;
*
bepaalt dat alle schoolvakanties aanvangen op vrijdag uit school, en het wisselmoment in de tweewekelijkse vakanties op zondag om 17.00 uur is;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 9 januari 2026, een bijdrage voor de verblijfsoverstijgende kosten dient te betalen van € 607,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen, en indien de vader (een deel van de) kinderbijslag ontvangt, hij gehouden is die door te storten op de bankrekening van de moeder;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 januari 2026.