ECLI:NL:RBDHA:2026:2164
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens internationale bescherming in Duitsland
Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 29 september 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat uit Eurodac bleek dat eiser sinds 10 december 2024 internationale bescherming geniet in Duitsland. Eiser wenste een inhoudelijke behandeling in Nederland en voerde onder meer aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet automatisch geldt en dat hij vreest voor indirect refoulement.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht uitgaat van de informatie uit Eurodac en het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij Duitsland wordt geacht zijn internationale verplichtingen na te komen. De lopende intrekkingsprocedure in Duitsland doet niet af aan de huidige beschermingsstatus. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij geen bescherming geniet in Duitsland of dat hij daar zijn rechten niet kan effectueren.
De rechtbank verwierp ook de vrees voor indirect refoulement, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en relevante jurisprudentie. Verweerder handelde correct door eiser op te dragen zich onmiddellijk naar Duitsland te begeven, conform de Terugkeerrichtlijn. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland.