Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon met langdurig ingezetenenstatus in Spanje, diende op 24 augustus 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'arbeid als zelfstandige' om schoonmaakwerkzaamheden in Nederland uit te voeren.
De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af op 8 november 2023 en handhaafde dit besluit op bezwaar van 1 augustus 2025. De rechtbank behandelde het beroep op 13 januari 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft uit zijn werkzaamheden. De ingediende facturen en jaarstukken boden onvoldoende onderbouwing, en er ontbraken bewijsstukken over investeringen, gereedschappen en contracten met opdrachtgevers. Ook werd geoordeeld dat verweerder terecht van de hoorplicht kon afzien omdat het bezwaar geen nieuwe feiten of argumenten bevatte.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand, en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.