ECLI:NL:RBDHA:2026:21263
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardige rekrutering en onvoldoende risico willekeurig geweld in Haïti
Eiser, een Haïtiaanse asielzoeker, diende op 28 september 2024 een asielaanvraag in, die door de minister van Asiel en Migratie op 7 oktober 2025 kennelijk ongegrond werd verklaard. Tevens werd een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Eiser vreesde terugkeer vanwege dreiging van bendeleden die hem wilden rekruteren en het algemene bendegeweld in Haïti.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 mei 2026. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van eiser over de rekrutering door bendeleden summier, wisselend en vaag waren, waardoor de minister het asielrelaas hierover ongeloofwaardig achtte. Daarnaast kon eiser onvoldoende concreet maken hoe de bendeleden eruitzagen en wat er precies was afgesproken.
Ten aanzien van het risico op willekeurig geweld in Haïti stelde de minister dat het niveau relatief laag is en dat de meest recente informatie geen significante stijging van gericht geweld tegen burgers toont. De rechtbank volgde dit standpunt en vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld.
De rechtbank wees het beroep af en handhaafde het bestreden besluit. Ook werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en kreeg eiser geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter Y. Moussaoui.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.