Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[eiser 1] te [woonplaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten),
2.
[eiser 2]te [woonplaats 2] (Thailand),
hierna te noemen: [eiser 2] ,
[eiser 3]te [woonplaats 3] ,
1.Waar gaat deze zaak over?
2.De procedure
3.De feiten
liaison officerin Thailand, de heer [naam 1] (‘ [naam 1] ’) – geïnformeerd naar de mogelijkheden voor rechtshulp in Thailand. In november 2013 zijn een Nederlandse officier van justitie, twee politieambtenaren en een parketsecretaris naar Thailand gegaan om met de Thaise autoriteiten te overleggen over het onderzoek en de mogelijkheden te verkennen om samen te werken. De Nederlandse delegatie heeft in dat kader een PowerPointpresentatie gegeven aan de Thaise autoriteiten over het strafrechtelijk onderzoek.
De Thaise collega’s gaan aan de hand van jullie rechtshulpverzoek zoals besproken een separaat onderzoek in Thailand opstarten waarbij de realisatie van telefoontaps een mogelijkheid zijn. (…)
Subject: Request for initiating an investigation in Thailand
4.Het geschil
- voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] en [eiser 2] ;
- de Staat veroordeelt tot vergoeding van de schade die [eiser 1] en [eiser 2] hebben geleden ten bedrage van € 44.145.536, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, dan wel een bedrag nader op te maken in een schadestaatprocedure;
- de Staat veroordeelt tot vergoeding van de kosten die [eiser 3] heeft gemaakt voor de dochter van [eiser 1] en [eiser 2] ten bedrage van € 280.500, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, dan wel een bedrag nader op te maken in een schadestaatprocedure;
- met veroordeling van De Staat in de kosten van de procedure.
5.De beoordeling
13 oktober 2006 twee gronden heeft aanvaard om aan te nemen dat het optreden door de Staat onrechtmatig is, waartoe de Hoge Raad heeft overwogen:
I. In de eerste plaats kan zich het geval voordoen dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het (…) geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv Pro heeft ontbroken.
27 juni 2014. Nadat het rechtshulpverzoek was ingediend, bleek dat de uitvoering ervan langer zou gaan duren dan aanvankelijk was bericht. De Staat wenste echter dat het rechtshulpverzoek snel zou worden uitgevoerd, binnen de aanvankelijk verzochte termijn. Mede door rechtshulpverzoeken die op korte termijn in andere landen zouden worden tenuitvoergelegd (en waardoor het internationale onderzoek zou ‘klappen’ en voor de verdachten kenbaar zou worden), zou vertraging het risico doen toenemen dat vermogensbestanddelen van [eiser 1] in Thailand zouden worden weggemaakt. De Staat heeft de brief van 14 juli 2014 gestuurd op advies van en in overleg met de Thaise autoriteiten. Het doel van het sturen van de brief was de gewenste rechtshulp tijdig tenuitvoergelegd te krijgen, door middel een eigen onderzoek door de Thaise autoriteiten, aldus de Staat.
Soering v. the United Kingdom(7 juli 1989, 14038/88, ECLI:CE:ECHR:1989:0707JUD001403888) in het kader van uitlevering overwogen dat artikel 3 EVRM Pro een absoluut karakter heeft. Indien sprake is van gegronde reden om aan te nemen dat een verdachte na uitlevering zal worden gemarteld, zal de uitlevering aan de verzoekende staat nauwelijks te verenigen zijn met de onderliggende waarden van het EVRM, hoe gruwelijk de vermeende strafbare feiten ook zijn. Het hof overwoog wat betreft de vraag wanneer sprake is van onmenselijk of vernederend handelen echter ook het volgende:
safe havenzou zijn ontstaan voor [eiser 1] en zijn vermogensbestanddelen, waarvan de verdenking was dat deze waren verkregen door middel van witwassen. Uit de hiervoor aangehaalde overweging van het EHRM volgt dat een risico op schending van mensenrechten in een bepaald land niet tot gevolg kan hebben dat voor een verdachte een feitelijk een
safe havenwordt gecreëerd in het betreffende land. Daarbij is niet van belang