ECLI:NL:RBDHA:2026:21053

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
NL25.48967
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Eritrese familie met gehandicapte zoon wegens onvoldoende risico op vervolging

Eiseres en haar minderjarige zoon, beiden van Eritrese nationaliteit, vroegen asiel aan in Nederland. Zij stelden dat zij in Eritrea worden gediscrimineerd vanwege de handicap van de zoon, waaronder zwakbegaafdheid en een verstandelijke beperking, en dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen vanwege het overschrijden van de geldigheidsduur van hun uitreisvisum en het niet betalen van diasporabelasting.

De minister wees de asielaanvraag af omdat de ervaren discriminatie niet zodanig was dat het onmogelijk was om maatschappelijk te functioneren en omdat het risico op ernstige schade bij terugkeer niet aannemelijk was. De rechtbank oordeelde dat de minister dit standpunt voldoende had gemotiveerd en dat eisers niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij een reëel risico liepen.

De rechtbank nam daarbij mee dat uit het overgelegde artikel en ambtsbericht blijkt dat scholingsmogelijkheden voor gehandicapte kinderen in Eritrea bestaan en dat de overheid maatregelen neemt tegen discriminatie. Ook bleek uit het ambtsbericht dat het uitreisvisum een geldigheidsdatum voor vertrek bevat, maar dat terugkeer op elk moment mogelijk is. Het niet betalen van diasporabelasting werd niet aannemelijk gemaakt als reden voor risico op ernstige schade.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand. Eisers kregen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs van reëel risico op vervolging of ernstige schade.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48967

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer [V-nummer] , eiseres

[eiser], V-nummers [V-nummer] , eiser
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de asielaanvraag van eisers mocht afwijzen. Eisers voeren aan dat zij in Eritrea zo erg worden gediscrimineerd vanwege de handicap van eiser, dat dit vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag inhoudt. Daarnaast voeren zij aan dat zij bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico op ernstige schade lopen vanwege hun verblijf in het buitenland. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. Eisers krijgen geen gelijk. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft mede namens haar minderjarige zoon (eiser) een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eisers stellen dat zij de Eritrese nationaliteit hebben. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1986 en haar minderjarige zoon op [geboortedatum 2] 2013. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 september 2025 de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, S.W. Kidane als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
6. Eisers leggen aan hun asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is zwakbegaafd en heeft een verstandelijke handicap en een lichte motorische beperking. Eiseres en haar gezin worden vanwege deze handicap uitgesloten in de Eritrese samenleving. Eiser wordt niet toegelaten op school. Verder zijn eisers met een visum naar Duitsland gereisd voor een medische behandeling voor eiser. Eiseres heeft hiervoor een uitreisvisum bij de Eritrese autoriteiten aangevraagd. Omdat het uitreisvisum voor drie maanden geldig was, eisers niet binnen die termijn zijn teruggekeerd en de diasporabelasting niet hebben betaald, vrezen eisers dat de Eritrese autoriteiten hen bij terugkeer zullen aanhouden en ondervragen.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • legale uitreis uit Eritrea met een uitreisvisum; en
  • discriminatie vanwege de handicap van eiser.
8. De minister vindt de asielmotieven geloofwaardig, maar niet voldoende zwaarwegend om een asielvergunning te verlenen. De discriminatie vormt niet een dusdanige beperking van de bestaansmogelijkheden dat het onmogelijk is om op maatschappelijk niveau te functioneren. Ook hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen vanwege hun verblijf in het buitenland. Volgens de minister is niet gebleken dat aan het uitreisvisum een terugkeertermijn was verbonden. Dat eisers na het verlopen van het uitreisvisum niet zijn teruggekeerd betekent daarom niet dat zij bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico op ernstige schade lopen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Discriminatie van gehandicapten
9. Eisers vinden dat de discriminatie die zij ervaren wel een dusdanige beperking van hun bestaansmogelijkheden vormt dat het onmogelijk is om op maatschappelijk niveau te functioneren. Eiser wordt niet toegelaten op scholen in Eritrea. Ter onderbouwing hebben eisers het artikel ‘Mental health in Eritrea’ van de Journal of global health van 16 januari 2021 overgelegd. Hieruit blijkt volgens eisers dat sprake is van een grote mate van stigmatisering, sociale uitsluiting en discriminatie van gehandicapten en hun familieleden in Eritrea. De maatregelen die de Eritrese overheid neemt om discriminatie tegen te gaan hebben volgens eisers onvoldoende effect.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet hebben te vrezen voor vervolging vanwege de discriminatie die zij ervaren. Weliswaar blijkt uit het overgelegde artikel dat in Eritrea sprake is van discriminatie van gehandicapten en hun familieleden, maar deze discriminatie is in het geval van eisers geen dusdanige beperking van hun bestaansmogelijkheden dat het onmogelijk is om op maatschappelijk niveau te functioneren. De minister heeft in het bestreden besluit en in het verweerschrift voldoende gemotiveerd dat eiseres zich in Eritrea goed staande kon houden. Eiseres heeft gewerkt en had toegang tot zorg voor eiser. Bovendien heeft de minister er in het bestreden besluit op gewezen dat uit openbare bronnen blijkt dat in Eritrea wel degelijk scholingsmogelijkheden bestaan voor gehandicapte kinderen en dat de Eritrese overheid wettelijke maatregelen neemt om discriminatie van gehandicapten tegen te gaan. [1] Dit laatste blijkt ook uit het artikel dat eisers hebben overgelegd.
11. De beroepsgrond slaagt niet.
Uitreisvisum en terugkeer naar Eritrea
12. Verder voeren eisers aan dat hun uitreisvisum wel degelijk voor drie maanden geldig was en dat zij verplicht waren om binnen die termijn terug te keren naar Eritrea. Bovendien verblijven eisers ondertussen bijna twee jaar in het buitenland en betalen zij geen diasporabelasting aan de Eritrese autoriteiten. Zij zullen daarom niet als loyaal worden gezien door de Eritrese autoriteiten, waardoor zij een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer. Ter onderbouwing wijzen eisers op informatie uit het Algemeen ambtsbericht Eritrea van december 2023.
13. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer naar Eritrea vanwege hun verblijf in het buitenland en het niet betalen van de diasporabelasting. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat hun uitreisvisum maar drie maanden geldig was en dat dit betekent dat zij binnen die tijd moesten terugkeren naar Eritrea. Uit het Algemeen ambtsbericht Eritrea van december 2025 (ambtsbericht) blijkt dat op het uitreisvisum een geldigheidsdatum staat vermeld. Deze geldigheidsdatum houdt, anders dan eisers stellen, in dat dat de houder van het uitreisvisum voor deze datum het land moest hebben verlaten en dat de houder van het uitreisvisum op elk willekeurig moment kon terugkeren naar Eritrea. [2]
14. Verder blijkt uit het ambtsbericht dat een langer verblijf in het buitenland niet problematisch is als de betrokkene tijdens dat verblijf loyaliteit aan het Eritrese regime had getoond. Een van de manieren om dit te doen was het betalen van diasporabelasting aan de Eritrese overheid. [3] Eisers stellen dat zij tijdens hun verblijf in het buitenland geen diasporabelasting hebben betaald en daardoor problemen zullen ondervinden bij terugkeer. Het is echter aan eisers om dit aannemelijk te maken. [4] Dat hebben zij niet gedaan. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de diasporabelasting op hen van toepassing is, dat zij deze niet betaald hebben of dat zij deze niet alsnog zouden kunnen betalen, al dan niet met hulp van familieleden. De enkele stelling van eisers dat zij de diasporabelasting niet hebben betaald kan dus niet leiden tot de conclusie dat zij een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer.
15. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de afwijzing van hun asielaanvraag in stand kan blijven. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.UNESCO International Institute for Capacity Building in Africa, Eritrea: Education Country Brief January 2024, te raadplegen via [internetsite] .
2.Algemeen ambtsbericht Eritrea van december 2025, p. 26.
3.Algemeen ambtsbericht Eritrea van december 2025, p. 26.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van