ECLI:NL:RBDHA:2026:21013

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
NL25.14673
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 3 EVRMVreemdelingenwet 2000Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek Ethiopische minderjarige Oromo wegens onvoldoende geloofwaardigheid en risico

Eiser, een minderjarige van Ethiopische afkomst en lid van de Oromo-gemeenschap, diende een asielaanvraag in Nederland in februari 2023. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af wegens gebrek aan gegronde vrees voor vervolging en onvoldoende geloofwaardigheid van het asielrelaas.

De rechtbank behandelde het beroep op 8 juli 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren. De rechtbank oordeelde dat de minister de identiteit en herkomst van eiser erkende, maar de door eiser gestelde vervolgingsrisico's onvoldoende aannemelijk waren gemaakt. De geloofwaardigheidsbeoordeling was volgens de rechtbank integraal en conform de geldende werkinstructies uitgevoerd.

Verder concludeerde de rechtbank dat de door eiser aangevoerde discriminatie van Oromo’s in Ethiopië niet de drempel van vervolging bereikte en dat er geen concreet bewijs was dat eiser persoonlijk risico liep. Ook het onderzoek naar adequate opvang in Ethiopië was voldoende uitgevoerd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar en correcte geloofwaardigheidsbeoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14673

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder heeft hieraan deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Ethiopische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2006. Hij heeft op 4 februari 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. [1] Verweerder volgt de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. Dit geldt ook voor de video’s die eiser op TikTok plaatst over Oromo en zijn aanwezigheid bij de herdenkingsbijeenkomst en het [festival] in Nederland. Verweerder stelt zich hierover echter op het standpunt dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege deze activiteiten in Nederland. Verweerder acht de gestelde problemen als gevolg van de activiteiten van de vader van eiser en de deelname van eiser aan drie demonstraties in Ethiopië ongeloofwaardig.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn asielaanvraag ten onrechte is afgewezen. Hij voert daartoe aan dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder niet integraal is uitgevoerd en daarmee in strijd is met het Unierecht. Niet alle cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw zijn kenbaar getoetst. Ten onrechte wordt eiser tegengeworpen dat hij meer kan vertellen over de OLF [2] en de activiteiten van zijn vader. Verweerder heeft op dit punt onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser en de culturele context. De door eiser ingebrachte bewijsstukken zijn alleen beoordeeld waar dit in het nadeel van eiser weegt. Voorts ondervinden de Oromo’s ernstige vormen van discriminatie in Ethiopië. Ook is er sprake van een risico bij terugkeer, nu de politieke uitingen van eiser van dien aard zijn dat deze bekend kunnen zijn geraakt bij de autoriteiten van Ethiopië. Tot slot heeft verweerder het onderzoek naar adequate opvang niet voortvarend genoeg opgepakt.
Geloofwaardigheidsbeoordeling volgens WI 2024/6
4. Niet in geschil is dat verweerder de geloofwaardigheidsbeoordeling in dit geval heeft verricht overeenkomstig Werkinstructie 2024/6. De algemene werkwijze die daarin is neergelegd, is eerder door deze zittingsplaats aanvaard. [3] In wat eiser betoogt ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. Anders dan eiser aanvoert, heeft verweerder hiertoe alle overgelegde documenten integraal betrokken bij de beoordeling van zijn asielrelaas. Voor zover eiser stelt dat de overgelegde stukken alleen zijn beoordeeld waar dit in het nadeel van eiser weegt volgt de rechtbank dit niet.
Referentiekader
5. Verweerder heeft in zijn besluitvorming voldoende en kenbaar rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder eisers minderjarige leeftijd, zijn medisch advies en het door hem overgelegde patiëntdossier heeft meegewogen. [4] Het is in de eerste plaats aan eiser om met zijn verklaringen zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Niet is gebleken dat eiser daartoe onvoldoende in staat is. De algemene verwijzing naar de culturele context is onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Discriminatie als Oromo
6. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser over discriminatie vanwege zijn etniciteit zo dat eiser stelt dat er sprake is van discriminatie in de zin van paragraaf C2/3.2 van de Vc [5] . In deze paragraaf is bepaald dat verweerder discriminatie van een vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers als daad van vervolging aanmerkt, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Uit de door eiser afgelegde verklaringen over onderdrukking dan wel discriminatie van Oromo’s wordt niet voormelde ‘drempel van vervolging’ gehaald. Niet gebleken is dat eiser, vanwege het feit dat hij Oromo is, in Ethiopië zodanig in zijn bestaansmogelijkheden werd beperkt dat hij daar onmogelijk op maatschappelijk en sociaal niveau kon functioneren. De rechtbank acht hiertoe van belang dat eiser heeft verklaard dat hij zelf geen problemen heeft ervaren omdat hij Oromo is. [6] Ook kon eiser in Ethopië naar school en had daarmee toegang tot onderwijs. Verder blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van 31 januari 2024 [7] niet dat Oromo´s in Ethiopië te maken hebben met discriminatie door de autoriteiten of door andere bevolkingsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 van de Vc. De beroepsgrond slaagt niet.
Gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM
7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [8] . Niet gebleken is dat de politieke uitingen van eiser van dien aard zijn dat deze bekend kunnen zijn geraakt bij de Ethiopische autoriteiten, al dan niet via sociale media. Verweerder heeft daarbij van belang mogen vinden dat niet is gebleken dat eiser hiermee een sterke politieke overtuiging heeft, of dat eiser hiermee in de negatieve aandacht van de Ethiopische autoriteiten zou staan. Ten aanzien van de brief van de [vereniging] , waarin volgens eiser zijn politieke activiteiten in Nederland worden bevestigd, maakt het oordeel niet anders. De rechtbank stelt vast dat de brief op zijn verzoek is opgesteld. Daarin wordt bevestigd dat eiser een actief en betrokken lid is in de Oromo Community. Zijn actieve bijdrage wordt echter niet nader onderbouwd met concrete informatie. De stelling dat eiser aangemerkt moet worden als een mensenrechtenactivist en hierdoor in de aandacht staat van de Ethiopische autoriteiten is verder ook niet onderbouwd. Ook wordt in de brief geen onderbouwing gegeven van de vrees of het risico dat eiser wordt gemonitord door de Ethiopische autoriteiten of dat hij in de negatieve belangstelling staat. De vereniging volstaat met de stelling dat het asielrelaas van eiser overeenkomt met ervaringen van vele Oromo-asielzoekers en dat de vereniging gelooft dat eiser kans maakt op vervolging bij terugkeer. Eiser heeft hiermee zijn persoonlijke vrees voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer niet aannemelijk gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Buitenschuldbeleid AMV
8. De rechtbank stelt vast dat eiser op 4 maart 2023 een asielaanvraag geeft ingediend, eiser was toen zestien jaar en 11 maanden oud. Eiser is ruim dertien maanden later, op [geboortedag] 2024, meerderjarig geworden. Gelet op het arrest TQ [9] en de daaropvolgende uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022 [10] is de rechtbank van oordeel dat verweerder gedurende deze periode voldoende invulling heeft gegeven aan het onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst van eiser. In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht wat de stand was van het onderzoek toen eiser meerderjarig werd. Verweerder heeft het onderzoek laten plaatsvinden in de asielprocedure tijdens het aanmeldgehoor van 24 mei 2023, het nader gehoor van 5 september 2023 en het aanvullend gehoor van 19 oktober 2023. Tijdens deze gehoren heeft verweerder aan eiser vragen gesteld over zijn situatie, zijn familie en of hij nog contact had met zijn familie in Ethiopië. Uit deze gehoren bleek dat eiser geen contact meer heeft met familieleden. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser met betrekking tot zijn vader ander licht werpt op de verklaringen van eiser dat hij geen contact meer heeft met zijn vader. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat hierom niet met zekerheid geconcludeerd kon worden dat adequate opvang aanwezig was voor eiser en dat daarom aanvullend onderzoek moest worden gedaan. Verder heeft verweerder toegelicht dat onderzoek door Dienst Terugkeer & Vertrek bij de autoriteiten van Ethiopië pas mogelijk is nadat op de asielaanvraag is beslist. In zijn algemeenheid wordt aangenomen dat het onderzoek door DT&V een jaar in beslag neemt. [11] Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het onderzoek niet tijdig kon worden afgerond gedurende de minderjarigheid van eiser.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Oromo Libiration Front.
3.Zie onder meer de uitspraken van 22 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2026:1061 en 10 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4937.
4.Bestreden besluit, pagina 3 en 4.
5.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Nader gehoor pagina 7.
7.Algemeen Ambtsbericht Ethiopië, pagina 52 en 53.
8.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
9.Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021 in de zaak C-441/19 (ECLI:EU:C:2021:9).
10.ECLI:RVS:2022:1530, ECLI:NL:RVS:2022:1531 en ECLI:NL:RVS:2022:1532.
11.Informatiebericht 2025/13: Beslissen op AMV-zaken na Afdelingsuitspraken van 8 juni 2022 (actualisering).