ECLI:NL:RBDHA:2026:2095

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
SGR26/302
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 4:5 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijzondere bijstand wegens niet verstrekken gevraagde gegevens

Verzoeker heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk een aanvraag voor bijzondere bijstand ingediend, maar heeft niet voldaan aan het verzoek om essentiële financiële gegevens te verstrekken. Het college heeft het recht op algemene bijstand per 1 april 2025 ingetrokken en dit besluit is na bezwaar gehandhaafd. Verzoeker heeft meerdere keren geweigerd de gevraagde informatie over zijn ondernemingen, inkomsten, schulden en vermogen te overleggen, ondanks hersteltermijnen en waarschuwingen.

De voorzieningenrechter constateert dat er geen nieuwe feiten zijn die aanleiding geven tot een andere beoordeling dan in eerdere procedures. Verzoekers beroep op schending van het evenredigheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en fair play wordt verworpen, omdat hij duidelijk is geïnformeerd over de gevolgen van het niet aanleveren van de gevraagde gegevens. Zonder deze informatie kan het college het recht op bijstand niet beoordelen.

De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en benadrukt dat verzoeker wordt geadviseerd om alsnog alle relevante financiële informatie te verstrekken om tot een oplossing te komen. Er worden geen proceskosten toegekend en tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het niet verstrekken van de gevraagde gegevens.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/302
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk,het college, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Chang Shang Min).

Inleiding

Intrekking bijstand per 1 april 2025
Met het primaire besluit van 19 mei 2025, verzonden op 3 juli 2025, heeft het college het recht op bijstand van verzoeker (na opschorting) met ingang van 1 april 2025 ingetrokken.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Verzoeker heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 5 augustus 2025 (het bestreden besluit) waarmee het primaire besluit in stand is gebleven.
Op verzoekers beroep is beslist met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2026 (SGR 25/6228).
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 19 januari 2026 opnieuw verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek gaat blijkens de handgeschreven aantekeningen op de stukken wederom over het besluit op bezwaar van 5 augustus 2025.
Verzoeker heeft op 23 januari 2026 stukken van verweerder ingezonden die al waren ingediend in de voorlopige voorzieningenprocedure met het nummer SGR 25/7463. Ook in die zaak had de voorzieningenrechter al uitspraak gedaan, en wel op (eveneens) 14 januari 2026, tegelijk met de uitspraak in de bodemzaak die hiervoor al is genoemd (SGR 25/6228).
Bijzondere bijstand
De op 23 januari 2026 ingezonden stukken hadden verder betrekking op verzoekers aanvragen voor bijzondere bijstand van 30 december 2025 voor een koelkast. Die aanvraag is door verweerder niet in behandeling genomen omdat verzoeker niet heeft voldaan aan verweerders verzoek van 4 december 2025 om de volgende stukken in te leveren:
  • bewijsstukken van het inkomen, ook als zelfstandige;
  • bewijsstukken van schulden (niet ouder dan 2 maanden);
  • bewijsstukken van vermogen;
  • bankafschriften van alle op naam staande bank- en spaarrekeningen over de periode van 1 september 2025 tot en met 1 december 2025.
Voor het aanleveren van de gegevens heeft verweerder een hersteltermijn geboden tot 18 december 2025. Verzoeker heeft op 9 december 2025 per e-mail meegedeeld dat hij de gevraagde gegevens niet zal verstrekken.
Na het besluit van verweerder om de aanvraag niet in behandeling te nemen heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Het verzoek is naar het oordeel van de voorzieningenrechter kennelijk ongegrond ten aanzien van zowel de intrekking van de algemene bijstand per 1 april 2025 als de aanvraag om bijzondere bijstand en moet dus worden afgewezen. De voorzieningenrechter doet daarom uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom hij tot dit oordeel is gekomen.
2.1
De voorzieningenrechter merkt op dat over verzoekers aanvragen voor bijstand al meermalen uitspraak is gedaan. De eerste uitspraak daarover is de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 augustus 2025 in de zaak SGR 25/4760, ECLI:NL:RBDHA:2025:15444. De twee andere uitspraken zijn eveneens door de voorzieningenrechter van deze rechtbank gedaan en hebben de nummers SGR 25/6228 en SGR 25/7463.
2.2
Er hebben zich blijkens de stukken geen relevante nieuwe feiten voorgedaan.
3. Verzoeker heeft in de nu voorliggende zaak letterlijk het volgende aangevoerd.
“Hierbij verzoek ik u om het treffen van een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure tegen het besluit van de gemeente Rijswijk van 30 december 2025, waarbij mijn aanvraag om bijzondere bijstand niet in behandeling is genomen. Ik verkeer in een acute noodsituatie. Door het besluit beschik ik over geen financiële middelen, terwijl sprake is van: dreigende woningontruiming, oplopende schulden, ontbreken van bestaanszekerheid. Het bezwaar heeft een zeer reële kans van slagen. nu: alle relevante stukken reeds bij de gemeente bekend waren, deze stukken bovendien door mijn advocaat (naam advocaat, vzr), zijn ingediend, artikel 4:5 Awb Pro onjuist en oneigenlijk is toegepast, het besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 Awb. een inhoudelijke beoordeling volledig is uitgebleven. Ik verzoek u het besluit van 30 december 2025 te schorsen, en de gemeente Rijswijk op te dragen mijn aanvraag voorlopig inhoudelijk te behandelen dan wel een andere passende voorlopige voorziening te treffen ter bescherming van mijn bestaanszekerheid.”
4. Uit de eerdere zaken is het de voorzieningenrechter bekend dat verzoeker een aantal ondernemingen en stichtingen op zijn naam heeft staan bij de Kamer van Koophandel (KvK), waaronder [bedrijf 1] , Stichting [stichting 1] , Stichting [stichting 2] , Stichting [stichting 3] en - sinds 13 mei 2025 - [bedrijf 2] . Verzoeker heeft gedurende de periode dat bijstand werd ontvangen geen enkele informatie aan het college verstrekt over het bestaan, de activiteiten en de inkomsten van de ondernemingen en stichtingen. Dat geldt ook voor de aanvraag voor bijzondere bijstand die verzoeker gedaan heeft. De inkomens- en vermogenspositie is voor het college (en voor de voorzieningenrechter) volstrekt onduidelijk. Verzoeker heeft ook geen enkele informatie verstrekt over het jaar 2025. Verzoeker is er in dat verband door het college meermalen op gewezen dat het hebben van bedrijven die bij de KvK op zijn naam geregistreerd staan, van invloed kan zijn op het recht op algemene dan wel bijzondere bijstand. Verzoeker heeft steeds weer niet de door het college gevraagde stukken overgelegd met betrekking tot zijn ondernemingen (en stichtingen). De gevraagde gegevens zijn naar voorlopig oordeel noodzakelijk voor het vaststellen van het recht op algemene en bijzondere bijstand. Verzoeker heeft immers al jaren ondernemingen en richt telkens nieuwe bedrijven op. Ook laatstelijk op 13 mei 2025 was daarvan weer sprake. De gevraagde gegevens kunnen het college duidelijkheid verschaffen over de inkomens- en vermogenspositie van verzoeker. Dit alles moet verzoeker inmiddels genoegzaam bekend zijn. Hem is door het college keer op keer duidelijk gemaakt - en dat is ook door de voorzieningenrechter op de eerdere zittingen met verzoeker besproken - dat aanvragen om bijstand (in welke vorm dan ook) geen kans van slagen (meer) hebben als daarbij niet de door het college verzochte gegevens worden overgelegd.
5. Het nu ingediende verzoek om voorlopige voorzieningen, zonder dat wederom enige informatie is overgelegd, moet dus als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
6. Op 3 februari 2026 om 17:37 uur heeft verzoeker nog een e-mail aan de voorzieningenrechter gezonden met betrekking tot een “Juridisch Verzoek – Uitstel/Betalingsregeling Zekerheidstelling” in een zaak met kenmerk VERZ 25-4989 CJIB-nummer 268842723. Dit verzoek houdt geen verband met de hier voorliggende zaak, zodat de voorzieningenrechter het terzijde zal leggen en aan het dossier zal toevoegen. Wat er verder ook zij van het verzoek om uitstel/betalingsregeling; het maakt de overwegingen van de voorzieningenrechter niet anders.
7. Verzoekers beroep op schending van het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play, zoals hij dat in de stukken heeft aangevoerd, slaagt niet. Verzoeker is, zoals al overwogen, duidelijk geïnformeerd over de gevolgen van het niet aanleveren van de gevraagde gegevens. Er is door het college een redelijke hersteltermijn geboden waarbinnen verzoeker heeft aangegeven geen medewerking te zullen verlenen aan het aanleveren van de informatie. Zonder de gevraagde informatie kunnen de aanvragen niet worden beoordeeld.
8.1
De voorzieningenrechter wijst er nogmaals op (onder verwijzing naar de uitspraken zoals die in de inleiding zijn genoemd) dat op de zittingen van 10 november 2025 en 12 januari 2026 is gesproken over de moeilijke situatie waarin eiser zich bevindt. Er is een forse huurschuld en - zo bleek op de zitting van 12 januari 2026 - er zijn ook andere privéschulden. Het is zo dat eiser zich niet wil laten helpen, nu hij van mening is dat hij met zijn bedrijven en stichtingen mag bijverdienen naast het ontvangen van algemene bijstand en (kennelijk) ook bijzondere bijstand voor een koelkast moet kunnen ontvangen. Verzoeker is ook niet bereid gebleken om een voorstel van de gemeente Rijswijk, waarin onder andere sprake is van het betalen van de huurschuld, een beschermingsbewindvoerder en de verplichting om alle stichtingen en bedrijven uit te schrijven uit het register van de Kamer van Koophandel, te ondertekenen. Het is onder deze omstandigheden dat ook de uitspraak in de nu voorliggende procedure gedaan wordt.
8.2
De voorzieningenrechter geeft verzoeker nogmaals nadrukkelijk in overweging om al zijn financiële informatie, zijn inkomsten en schulden, waaronder ook alle informatie over al zijn ondernemingen en stichtingen, zoals in de inleiding van deze uitspraak genoemd, aan het college te overhandigen om zo met het college in overleg te kunnen komen over een oplossing voor de ontstane situatie.
9. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
E.T. Rietbroek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.