ECLI:NL:RBDHA:2026:20729

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
C/09/705499 / KG RK 26-815
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens gebrek aan concrete feiten en misbruik wrakingsinstrument

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter in een civiele hoofdzaak over een vordering van de wederpartij. Zij stelde dat de kantonrechter vooringenomen was en de wederpartij bevoordeelde door het niet doorsturen van stukken en het onjuist behandelen van haar verzoeken, waaronder een verzoek om uitstel en een aanhoudingsverzoek.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek en concludeerde dat de aangevoerde gronden slechts veronderstellingen en suggesties waren zonder concrete feiten die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid konden onderbouwen. De stukken in de hoofdzaak ondersteunden de stellingen van verzoekster niet. Ook werd geoordeeld dat procesbeslissingen, zoals het afwijzen van het aanhoudingsverzoek, geen grond voor wraking vormen.

Verder stelde de wrakingskamer vast dat verzoekster het wrakingsinstrument gebruikte om de procedure te vertragen, wat als misbruik werd aangemerkt. Daarom werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.

De wrakingskamer wees het verzoek af, bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek en dat een afschrift van de beslissing aan alle betrokken partijen wordt toegezonden. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens ontbreken van concrete feiten en misbruik van het wrakingsinstrument.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/37
zaak- /rekestnummer: C/09/705499 / KG RK 26-815
Beslissing van 29 juni 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. S.L.M. Staals,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 18 mei 2026;
- de schriftelijke reactie van de kantonrechter van 28 mei 2026 met bijlagen;
- de schriftelijke reacties van de wederpartij in de hoofdzaak van 8 juni 2026 en 18 juni 2026;
Verzoekster heeft in een mail van 11 juni 2026 gevraagd om uitstel van de wrakingszitting van 15 juni 2026. Dit verzoek is toegewezen. Op 25 juni 2026 heeft verzoekster per mail wederom om uitstel gevraagd van de nieuw geplande wrakingszitting op 29 juni 2026. Verzoekster heeft daarin aangegeven niet te kunnen verschijnen. Zij heeft niet gevraagd om een digitale zitting. Op 25 juni 2026 heeft de wrakingskamer per mail afwijzend beslist op dit uitstelverzoek van verzoekster. Verzoekster heeft op 25 juni 2026 een tweede mail gestuurd waarin zij haar verzoek om uitstel heeft herhaald. De wrakingskamer heeft in een tweede mail van 25 juni 2026 opnieuw het verzoek om uitstel afgewezen. Verzoekster heeft op 29 juni 2026 om 10.00 uur nog een mailbericht gestuurd.
1.2.
De wederpartij in de hoofdzaak, [naam] B.V., met als gemachtigde Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarders, heeft laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen. De kantonrechter heeft ook laten weten niet te zullen verschijnen.
Op 29 juni 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. De zitting is begonnen om 10.05 uur. Hierbij is niemand verschenen.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de wrakingskamer zich in raadkamer teruggetrokken. Daarna heeft zij ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De mondelinge uitspraak is neergelegd in deze schriftelijke beslissing.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummer 12090353 RL EXPL 26-3671, waarin verzoeker de gedaagde partij is en de in 1.2. genoemde wederpartij de eisende partij (hierna: de hoofdzaak). De hoofdzaak draait om een vordering van de wederpartij op verzoekster.
2.2.
Verzoekster heeft blijkens het (in het Nederlands vertaalde) schriftelijke verzoek het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd.
2.3.
Verzoekster meent dat zij de kantonrechter moet wraken, omdat de wederpartij in de hoofdzaak door de kantonrechter wordt aangestuurd en hulp krijgt bij het voorkomen van het verstrekken van informatie en tekortkomingen ten aanzien van de vordering worden verborgen. De rechtbank werd ervan op de hoogte gesteld dat de vordering waarschijnlijk frauduleus is en dat er meer nodig is van de wederpartij om verzoekster in staat te stellen een conclusie van antwoord in te dienen. Het verzoek om uitstel van verzoekster, gedaan op 11 februari 2026, is ten onrechte geregistreerd als een conclusie van antwoord. Hiermee heeft verzoekster te weinig tijd gehad om de vordering te verduidelijken en om daadwerkelijk een conclusie van antwoord in te dienen. Op aanwijzing van de kantonrechter zijn er e-mails verstuurd op 6, 7 en 11 mei 2026 waarin echter niet stond vermeld dat de rechtbank stukken had ontvangen van de wederpartij. De stukken werden ook niet doorgestuurd aan verzoekster. Volgens verzoekster zijn niet alle stukken aan haar doorgezonden, terwijl op 11 mei 2026 expliciet tegen haar is gezegd dat er behalve een dagvaarding geen andere documenten zijn ingediend door de wederpartij. Op diezelfde dag heeft verzoekster echter telefonisch van de wederpartij begrepen dat zij een akte per mail had ingediend bij de rechtbank, en wel op 30 april 2026. Kort daarna werd op aanwijzing van de kantonrechter een mail aan verzoekster gestuurd door de rechtbank met daarin de akte gedateerd op 30 april 2026. De akte lijkt gemanipuleerd waardoor het document compleet onleesbaar is geworden op sommige gedeeltes. Dit heeft verzoekster beperkt in het kunnen verifiëren wat er precies (en wanneer) is ingediend. De volgende dag kreeg verzoekster een leesbaar document. Hieruit bleek dat er correspondentie naar een verkeerd e-mailadres is gegaan (
[email-adres]). De rechtbank lijkt niet te lezen wat verzoekster stuurt. Haar eerdere aanhoudingsverzoek is niet herkend als zodanig, en dat verzoekster vervolgens heeft aangegeven dat zij naar het ziekenhuis moest op de dag van de zitting in de hoofdzaak is ook over het hoofd gezien. Ten onrechte is er vervolgens gesteld dat zij bovendien geen bewijs heeft aangeleverd van haar verhindering. Verzoekster meent dat hieruit blijkt dat sprake is van een kantonrechter die vooringenomen is (“
lack of openmindedness”) en dat er sprake is van een keten van gebeurtenissen die de wederpartij in de hoofdzaak steunen.
2.4.
De kantonrechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
3.2.
De mondelinge behandeling van de hoofdzaak was gepland op 18 mei 2026. Verzoekster heeft de kantonrechter gewraakt voor deze zitting.
3.3.
Verzoekster heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de wederpartij wordt aangestuurd door de kantonrechter en dat de wederpartij hulp krijgt van de kantonrechter. Deze door verzoekster aangevoerde gronden betreffen echter slechts veronderstellingen en suggesties. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de kantonrechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken.
3.4.
Verzoekster heeft een aantal stellingen als feiten gepresenteerd, zoals dat zij het verzoek om uitstel heeft gedaan op 11 februari 2026, dat de rechtbank ten onrechte expliciet heeft verklaard dat er geen andere stukken zijn ingediend door de wederpartij, dat verzoekster niet alle stukken in de hoofdzaak heeft ontvangen, dat de akte gemanipuleerd is, dat haar mededeling dat ze naar het ziekenhuis moest over het hoofd is gezien en dat er ten onrechte is gezegd dat zij geen bewijs heeft geleverd dat zij naar het ziekenhuis moest. Verzoekster heeft deze stellingen echter niet onderbouwd. De stukken in de hoofdzaak bieden evenmin ondersteuning voor de juistheid van die stellingen. Uit die stukken blijkt onder meer dat verzoekster op 11 februari 2026 heeft gemaild naar de rechtbank en met deze mail haar verweer heeft gevoerd tegen de vordering van de wederpartij. Uit deze mail blijkt niet dat verzoekster een verzoek om aanhouding heeft gedaan, of anderszins heeft verzocht om meer voorbereidingstijd. Daarnaast heeft de rechtbank haar gevraagd om onderbouwing van haar mededeling dat zij verhinderd was voor de zitting in de hoofdzaak. Alleen al daarom is de stelling dat de rechtbank deze mededeling over het hoofd heeft gezien onjuist.
3.5.
Voor zover het wrakingsverzoek van verzoekster is gericht tegen het niet doorsturen van de ontvangen stukken in de hoofdzaak, concludeert de wrakingskamer op basis van de stukken en de schriftelijke reactie van de kantonrechter dat er op zeker moment nog stukken zijn doorgestuurd naar verzoekster die de rechtbank nog niet eerder had doorgestuurd. Deze stukken zou verzoekster echter ook al van de wederpartij in de hoofdzaak hebben ontvangen. Naast het feit dat doorzending van de stukken naar het oordeel van de wrakingskamer een procedurele beslissing is, die op zichzelf geen grond voor wraking kan opleveren, is dit ook op te vatten als een vorm van dienstverlening van de rechtbank richting verzoekster. Hieruit blijkt niet van vooringenomenheid jegens verzoekster. Het tijdstip waarop die stukken naar haar zijn (door)gestuurd, is daarbij niet relevant.
3.6.
Tot slot is het verzoek tot aanhouding van verzoekster van 6 mei 2026 in de hoofdzaak door de kantonrechter niet gehonoreerd. De beslissing van de kantonrechter om het aanhoudingsverzoek af te wijzen wordt door de wrakingskamer aangemerkt als een procesbeslissing. De wrakingskamer stelt voorop dat de beslissing van de kantonrechter geen grond vormt voor wraking. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (onder andere ECLI:NL:HR:2018:1413) volgt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een grond kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is.
3.7.
De juistheid van een rechterlijke procesbeslissing kan alleen worden beoordeeld als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Alleen als de procesbeslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking.
3.8.
Naar het oordeel van de wrakingskamer haalt hetgeen verzoekster aan haar wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd en schriftelijk nader heeft toegelicht ten aanzien van de motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek deze hoge drempel niet. Verzoekster heeft in haar mail van 6 mei 2026 het volgende aangegeven (in het Nederlands vertaald): “
Ik ben mogelijk niet beschikbaar op 18 mei, omdat ik naar het ziekenhuis moet, waardoor de aanvragen niet op de dag van de hoorzitting besproken kunnen worden. Ik verzoek u daarom de hoorzitting op 18 mei te annuleren en mijn aanvragen verder te behandelen. Ik vestig ook uw aandacht ook op andere zaken die in de correspondentie van 11 februari aan de orde zijn gesteld en die u duidelijk vóór de zitting moet behandelen, en waarop uw reactie is vereist.” In reactie hierop heeft de kantonrechter aangegeven volgens het Aanhoudingsprotocol te handelen en op grond daarvan verzocht om een bewijsstuk waaruit blijkt dat verzoekster op het tijdstip van de zitting in de hoofdzaak verhinderd is. Verzoekster heeft vervolgens een screenshot van een eigen planning of agenda gestuurd op 13 mei 2026. De kantonrechter heeft geoordeeld dat dit niet als verifieerbaar bewijs (voor een verhindering op 18 mei 2026) geldt. Deze motivering is niet onjuist of onbegrijpelijk. Ook hieruit kan dan ook geen schijn van vooringenomenheid worden afgeleid.
3.9.
Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de kantonrechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken gelet op al het voorgaande. Daarom wordt het verzoek afgewezen.
3.10.
Het verzoek tot aanhouding van de zitting van 18 mei 2026 is door de kantonrechter niet gehonoreerd. Door indiening van het wrakingsverzoek en de daarmee gepaard gaande schorsing van de procedure heeft verzoekster echter bewerkstelligd dat haar zitting alsnog is uitgesteld, ondanks de andersluidende beslissing van de kantonrechter. De wrakingskamer is daarom, mede gelet op de inhoud van het wrakingsverzoek dat ziet op procesbeslissingen dan wel is gebaseerd op stellingen zonder feitelijke grondslag, van oordeel dat verzoekster het middel van wraking uitsluitend heeft gebruikt om de procedure te vertragen. Daarmee is sprake van misbruik van het wrakingsinstrument. De wrakingskamer bepaalt om die reden dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling wordt genomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen;
4.4.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• verzoekster;
• de wederpartij in de hoofdzaak, p/a van haar gemachtigde;
• de kantonrechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M. Kramer, D. Biever en A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.P.A. Stok en in het openbaar uitgesproken op
29 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.