ECLI:NL:RBDHA:2026:20724

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
C/09/706699 / KG RK 26-898
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 RvArt. 36 RvECLI:NL:HR:2018:1413
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens gebrek aan objectieve schijn van partijdigheid

Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter in een bewindvoerderszaak, stellende dat de rechter partijdig zou zijn door het beperken van spreektijd, onvoldoende toezicht op fraude en een intimiderende houding. De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld op 29 juni 2026, waarbij ook de wederpartij en gemachtigden aanwezig waren.

De wrakingskamer overweegt dat een rechter alleen gewraakt kan worden bij objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid, waarvoor concrete feiten vereist zijn. De kantonrechter had de spreektijd beperkt tot een halfuur voor de pleitnota, omdat deze grotendeels herhaling was, en de zittingstijd was met 60 minuten ruim bemeten. Dit is een procedurele beslissing die niet tot wraking kan leiden.

De vermeende onvoldoende toezichthoudende rol van de kantonrechter en de beschuldigingen van het bewust negeren van fraude zijn niet onderbouwd met concrete feiten. Klachten over bejegening zijn niet geschikt voor wraking en dienen via een klacht bij het gerechtsbestuur te worden ingediend.

De wrakingskamer acht de geuite beschuldigingen grensoverschrijdend en wijst het wrakingsverzoek af. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens ontbreken van concrete feiten die de schijn van partijdigheid rechtvaardigen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/42
zaak- /rekestnummer: C/09/706699 / KG RK 26-898
Beslissing van 13 juli 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoekster,
gemachtigde: D.B. Pathak (Stichting Juridisch Centrum)
strekkende tot de wraking van
mr. D. de Loor,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 8 juni 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de kantonrechter van 23 juni 2026;
- de toelichting en aanvulling op het wrakingsverzoek van 26 juni 2026.
1.2.
Op 29 juni 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde;
- de kantonrechter;
- de wederpartij in de hoofdzaak, vergezeld van haar gemachtigde mr. R. le Grand, als toehoorder.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummer 12187715 EJ VERZ 26-72356 tussen verzoekster als verzoekende partij en [bewindvoerder] (bewindvoerder), met gemachtigde mr. R. le Grand, als verwerende partij (hierna: de hoofdzaak). Verzoekster is één van de dochters van [naam] die bij beschikking van 4 april 2022 onder bewind is gesteld. In de hoofdzaak heeft verzoekster de kantonrechter verzocht om de bewindvoerder te schorsen, dan wel te ontslaan.
2.2.
Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van 8 juni 2026 van de hoofdzaak, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd.

De kantonrechter beperkt mij om mijn pleitnota voor te lezen en mijn argumenten toe te lichten. Als er veel zaken zijn en foute handelingen hebben plaatsgevonden dan ben ik niet verantwoordelijk omdat de kantonrechter al vier jaar op de zaak zit en hij doet zijn ogen dicht terwijl alle fraude voor zijn ogen gebeurt. Dan is er de schijn van partijdigheid. Dit accepteer ik niet. De kantonrechter probeert mij te intimideren. Hij kan niet zo tegen een gemachtigde tekeer gaan. Ik zal mijn wrakingsverzoek naderhand aanvullen.”
2.3.
Uit de toelichting van 26 juni 2026 en de ter zitting voorgedragen pleitaantekeningen volgt dat de wraking berust op – kort samengevat – het niet mogen voordragen van de pleitnota, het feit dat er voor de zitting slechts 60 minuten waren uitgetrokken, de stelling dat de kantonrechter als toezichthouder niet goed functioneert, bewust zijn ogen sluit voor fraude in de hoofdzaak en persoonlijke belangen bij de hoofdzaak heeft. Ter zitting heeft verzoekster ook nog geklaagd over de bejegening door de kantonrechter, ter zitting van 8 juni 2026, maar ook bij zittingen in 2023 en 2025.
2.4.
De kantonrechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. Die reactie, en de toelichting ter zitting, wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
3.2.
Ten aanzien van het eerste punt van de in 2.3. genoemde gronden, zoals aangevoerd door verzoekster, overweegt de wrakingskamer als volgt.
3.3.
Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 8 juni 2026 heeft de gemachtigde van verzoekster ter zitting een uitvoerige pleitnota willen voorlezen. De kantonrechter heeft opgemerkt dat de pleitnota grotendeels een herhaling was van wat al in het verzoekschrift stond. De wederpartij heeft expliciet te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan het voordragen van de pleitnota. De kantonrechter heeft de gemachtigde van verzoekster daarop een halfuur spreektijd gegeven en daarbij verzocht om zich te beperken tot afwijkingen of aanvullingen op het verzoekschrift, ofwel de “highlights” van de pleitnota. Nadat er een half uur verstreken was heeft de kantonrechter aangestuurd op afronding van het voorlezen van de pleitnota. Er stond een uur gepland voor de behandeling van het verzoek. Na het verstrijken van dat half uur heeft de kantonrechter de wederpartij de gelegenheid willen geven om het woord te voeren. Uit het proces-verbaal blijkt dat, nadat de wederpartij zijn spreekaantekeningen heeft overlegd, de gemachtigde van verzoekster wederom het woord heeft genomen om te vragen of hij gelegenheid zou krijgen te mogen reageren op de wederpartij. Nadat de kantonrechter had aangegeven dat hij dat mocht “maar niet nu al” heeft de gemachtigde van verzoekster aangegeven niet de leerling te zijn van de kantonrechter, aan artikel 36 te Pro denken en de rechter te respecteren maar dat hij ook door de rechter beperkt werd. Nadat de kantonrechter heeft gewezen op het feit dat verzoekster eventueel in hoger beroep zou kunnen, heeft verzoekster de kantonrechter gewraakt.
3.4.
Het staat de kantonrechter vrij om vragen te stellen op de wijze die hij nodig acht en om het verloop van de zitting in te richten en te bepalen in welke volgorde bepaalde kwesties worden besproken. Het is immers de taak van de rechter om regie te voeren en de goede procesorde te bewaken en ervoor te zorgen dat er sprake is van hoor en wederhoor. Dat betekent dat het aan de rechter is om onder meer, binnen de grenzen van de wet, het moment te bepalen wanneer advocaten/gemachtigden, procespartijen en belanghebbenden het woord mogen voeren. Rechters hebben een grote vrijheid bij de invulling van die taak. In het feit dat de kantonrechter, zoals hiervoor omschreven, regie ter zitting heeft gevoerd en de wijze waarop hij dit heeft gedaan, ziet de wrakingskamer, alles afwegende, geen aanknopingspunt voor de objectieve schijn van partijdigheid.
3.5.
Voor zover verzoekster heeft bedoeld dat de toebedeelde tijd voor de behandeling van de zitting in de hoofdzaak een grond is voor wraking, overweegt de wrakingskamer als volgt. De hoeveelheid tijd die wordt ingepland voor de behandeling van een zaak ter zitting is een procedurele beslissing. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (onder andere ECLI:NL:HR:2018:1413) volgt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een grond kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. Alleen als de (proces)beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking. Naar het oordeel van de wrakingskamer blijkt uit de ingeplande tijd voor de behandeling van de hoofdzaak op zitting geen enkele schijn van vooringenomenheid. Zoals de kantonrechter heeft toegelicht ter zitting van de wrakingskamer worden er normaliter twintig minuten zittingstijd uitgetrokken voor de behandeling van vergelijkbare zaken. Voor de behandeling van de hoofdzaak waren zestig minuten uitgetrokken. Wat daar ook van zij, dit is een procedurele beslissing die als zodanig niet tot wraking kan leiden. Bovendien mag van een professionele partij, zoals de gemachtigde van verzoekster, worden verwacht dat hij in staat is om – zeker na uitvoerige schriftelijke stukken – bondig zijn argumenten voor te dragen en te formuleren. De wrakingskamer ziet ook op dit punt geen aanknopingspunt voor de objectieve schijn van partijdigheid.
3.6.
Het tweede punt van de in 2.3. genoemde wrakingsgronden van verzoekster betreft de (inhoud van de) hoofdzaak. De wrakingskamer benadrukt, zoals ter zitting ook meermalen is aangegeven, dat zij geen inhoudelijk oordeel kan vellen over de inhoud van de hoofdzaak en over de bewijzen die verzoekster stelt te hebben over fraude gepleegd door de bewindvoerder. Deze wrakingsgrond bevat bovendien slechts veronderstellingen en suggesties over de positie en eventuele beslissingen van de kantonrechter. Verzoekster heeft haar stellingen over de rol en positie van de kantonrechter op geen enkele wijze onderbouwd. Ook uit de stukken die zijn overlegd naar aanleiding van het wrakingsverzoek, waaronder het proces-verbaal, is het de wrakingskamer op geen enkele wijze gebleken dat er sprake is van het “bewust de ogen sluiten” door de kantonrechter voor eventueel gepleegde fraude in de hoofdzaak. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de kantonrechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken.
3.7.
De wrakingskamer vindt het overigens zeer kwalijk dat verzoekster – en namens haar: de gemachtigde – in de stukken en tijdens de behandeling ter zitting van het wrakingsverzoek beschuldigingen uit ten aanzien van de kantonrechter in zijn rol van toezichthouder die op geen enkele wijze zijn onderbouwd en die grensoverschrijdend zijn.
3.8.
Het laatste in 2.3 genoemde punt betreft in wezen klachten over de manier waarop de gemachtigde van verzoekster, dan wel verzoekster zelf, door de kantonrechter is bejegend. Om te beginnen merkt de wrakingskamer op dat wat is aangevoerd over zittingen in 2023 en 2025 zonder meer buiten beschouwing wordt gelaten, omdat de wraking slechts ziet op de zitting van 8 juni 2026. Verder is de wrakingsprocedure niet bedoeld voor klachten over de bejegening. Verzoekster kan over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening ter zitting van 8 juni 2026 (de schijn van) partijdigheid van de kantonrechter besloten ligt, zijn gesteld noch gebleken.
3.9.
Het wrakingsverzoek wordt afgewezen, omdat geen van de hiervoor genoemde gronden kan leiden tot wraking van de kantonrechter.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoekster p/a haar gemachtigde;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de kantonrechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M. Kramer, A.M.A. Keulen en L. Kelkensberg, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.P.A. Stok en in het openbaar uitgesproken op
13 juli 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.