ECLI:NL:RBDHA:2026:20557
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening verlenging gecombineerde vergunning verblijf en arbeid
Verzoeker heeft bij besluit van 5 december 2025 een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). Na het ongegrond verklaren van zijn bezwaar op 17 april 2026, heeft verzoeker beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om zijn werkzaamheden te mogen voortzetten tijdens de beroepsprocedure.
De voorzieningenrechter heeft op 24 april 2026 de minister verzocht te reageren, waarop de minister op 4 mei 2026 heeft gereageerd met een ongemotiveerd verzet tegen het verzoek. Verzoeker stelde dat het wegvallen van zijn werk grote psychische spanning veroorzaakt, mede door zijn beperkte sociale netwerk en het belang van zijn werk als kok voor zijn mentale gesteldheid.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de minister zijn belangen onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de belangenafweging uitkomt in het voordeel van verzoeker. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de vertrekplicht wordt opgeschort en verzoeker mag blijven werken gedurende de beroepsprocedure.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor verzoeker mag blijven werken gedurende de beroepsprocedure.